Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Wat is gereformeerd? De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 13
LaagsteHoogste 

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten naar de Westminster Confessie (in samenhang met de Westminster catechismus), met name m.b.t. de Schriftuurlijkheid van de kerkvisie en de verbondsvisie in deze geschriften. Dit resulteerde in een meerderheids- en minderheidsrapport. Het meerderheidsrapport stelde voor om de Westminster Standards niet te aanvaarden en om van de betreffende kerken te eisen om (onderdelen van) de Westminster te vervangen door (onderdelen van) de Drie formulieren van eenheid. Gelukkig is dit niet overgenomen door de Generale Synode Groningen 2014.

De vorige keer lieten we zien hoe deputaten BBK een rechtstreekse relatie legden tussen de leer van de Westminster Standards (als oorzaak) en een (beperkt) open avondmaalstafel (als gevolg). Volgens hen moest de leer van een onzichtbare kerk en van een gradatie tussen meer en minder zuivere leden vanzelfsprekend leiden tot pluriformiteit en “denominationalisme” en dat zou dan weer leiden tot het openstellen van het avondmaal en zelfs kansels voor leden van andere kerken en het zich minder druk maken over binding aan de belijdenis van de kerk.
Bovendien zou het primair uitgaan van de uitverkiezing leiden tot een onderwaardering van een actief (mee)werken van de gelovige. En dit zou dan weer leiden tot tolereren van dwaalleer, lossere binding aan belijdenis, pluriformiteit, denominationalisme en het openstellen van het avondmaal voor niet-leden.
Maar deputaten hebben die relaties gelegd, zonder onderbouwing van die relaties en zonder bewijs te leveren dat de leer van de Westminster automatisch leidt tot al die beschuldigingen tegen alle kerken die de Westminster Standards als grondslag hebben. Het zijn speculatieve veronderstellingen, er is geen enkel grondig onderzoek geweest die deze relaties aantonen.

In dit artikel gaat het over de zekerheid van het geloof. Ook al noemde de GS dit niet apart in de instructie, was het volgens deputaten belangrijk genoeg om het nodige over te zeggen. Volgens deputaten leert de WS dat de zekerheid van het geloof niet hoort bij het wezen van het geloof. En dat zou dan weer makkelijk leiden tot een verkeerde bevindelijkheid met verschillende stadia in geloof. De passages hierover moeten volgens hen worden veranderd zodat duidelijk wordt dat deze zekerheid wèl tot het wezen van het geloof hoort.

Inleiding wat houdt geloven in

Wij geloven dat alle mensen in Adam zijn veroordeeld en dat alleen degene het heil terugkrijgen door Christus die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen. Waar geloof is:

  • een zeker weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft en
  • een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus.

Wij moeten alles geloven wat ons in het Evangelie wordt beloofd. En als we dat alles geloven, zijn we - alleen door waar geloof in Jezus Christus - in Christus rechtvaardig voor God en een erfgenamen van het eeuwige leven. Niet (de waarde van) ons geloof verdient die rechtvaardigheid, maar Christus heeft die rechtvaardigheid gerealiseerd voor ons. Mijn gerechtigheid voor God is alleen dankzij en door de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus.
En alleen door geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken.
Dat geloof komt van de Heilige Geest die dat geloof in ons hart

  • werkt door de verkondiging van het Heilig Evangelie en
  • versterkt door het gebruik van de sacramenten (Doop en Avondmaal).

Zekerheid van behoud en volharding
We gaan ons nu focussen op het tweede deel van het antwoord op de vraag wat waar geloof is: een vast vertrouwen op vergeving, eeuwige (!) gerechtigheid en heil.
Vast staat in ieder geval dat de gelovigen daar voor zichzelf zeker van kunnen zijn. En die zekerheid vloeit voort uit:

  • het geloof in Gods beloften in zijn Woord en
  • het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn en
  • dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken.

Zekerheid behoud te allen tijde en bij iedereen gelijk?
Zijn dan alle gelovigen te allen tijde en ieder even sterk en gelijk verzekerd van hun eeuwig behoud? Nee: ieder wordt verzekerd op zijn tijd en niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate.
Er zijn mensen die het levend geloof en het vertrouwen niet zo sterk opmerken bij zichzelf. Terwijl ze wel trouw de middelen gebruiken en verlangen naar een tijd van veel meer genade en die ook verwachten. En ze verlangen ernstig zich tot God te bekeren, maar toch komen ze niet zo ver in het gelovig leven voor de Here als zij wel zouden willen. God is barmhartig over hen, want Hij heeft beloofd dat hij de walmende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken.

Zekerheid behoud = volkomen zekerheid
Alle ware gelovigen moeten voortdurend waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. Weliswaar is Gods macht zo groot dat hun behoud niet door het vlees overwonnen kan worden. Toch werkt God niet altijd zo dat zij in sommige gevallen door eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen. Ze worden dan geleid door hun zondige begeerten en volgen die. De mogelijkheid bestaat dan niet alleen dat zij door het vlees, de wereld en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin - en God laat dit rechtvaardig toe - soms worden meegesleept. Dit wordt ons duidelijk aangetoond in de Schrift, waar beschreven staat, hoe treurig David, Petrus en andere heiligen in zonde gevallen zijn. Met zulke grove zonden wekken zij Gods toon in hoge mate op; zij verdienen opnieuw de dood; zij bedroeven de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer. Eerst wanneer zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht weer over hen lichten. Want God, die rijk is aan barmhartigheid, neemt naar het onveranderlijk voornemen van de uitverkiezing de Heilige Geest niet helemaal van de zijnen weg, zelfs niet wanneer zij zo treurig in zonde zijn gevallen. Hij laat hen ook niet zo diep vallen, dat zij de genade van de aanneming tot kinderen en de staat van de rechtvaardiging verliezen, of dat zij de zonde tot de dood of de zonde tegen de Heilige Geest bedrijven en helemaal door God verlaten, zich in de eeuwige ondergang storten. Want ten eerste bewaart God, wanneer zij zo diep vallen, nog in hen zijn onvergankelijk zaad, waaruit zij opnieuw geboren zijn, zodat dit niet vergaat of weggeworpen wordt. Verder vernieuwt Hij hen zeker en met kracht door zijn Woord en Geest, zodat zij zich bekeren: zij krijgen van harte en naar Gods wil verdriet over deze zonden; zij begeren en ontvangen door het geloof en met een verbroken hart vergeving door het bloed van de Middelaar; zij ervaren opnieuw de genade van God, die nu met hen verzoend is; zij aanbidden zijn barmhartigheid en trouw en spannen zich voortaan des te meer in om hun behoud met vrees en beven te bewerken. Niet aan hun eigen verdiensten of krachten, maar aan de genadige barmhartigheid van God hebben zij het te danken, dat zij niet helemaal van het geloof en de genade vervreemden, of voorgoed in hun zonden blijven en zo verloren gaan. Dit zou, wat hen betreft, niet alleen heel goed mogelijk zijn, het zou ongetwijfeld ook gebeuren. Maar wat God betreft, kan dit beslist niet. Want zijn raadsplan kan niet veranderd, zijn belofte niet gebroken en de roeping naar zijn voornemen niet herroepen worden; evenmin kunnen Christus' verdienste, voorbede en bewaring krachteloos gemaakt worden en ook de verzegeling met de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden.

Zekerheid als vrucht van het geloof
In het volgende artikel (DL H V art 9) wordt gezegd dat de gelovigen voor zichzelf zeker kunnen zijn van hun behoud en volharding. En zij hebben die zekerheid ook, NAARMATE zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben.
En in art. 10 wordt dan beleden dat DEZE ZEKERHEID VOORTKOMT UIT het geloof in Gods beloften, UIT het getuigenis van de Heilige Geest die samen met onze geest getuigt dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn en HIERUIT, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken.
Dat voortkomen uit benadruk ik hier zo, omdat de zekerheid hier wordt beleden als een VRUCHT van het geloof !

Geloof en behoud in eigen woorden
Dus als sommigen de belofte van behoud omhelzen met (hun) geloof, terwijl zij ongewild niet altijd helemaal verzekerd zijn van hun eeuwig behoud, hoeven zij niet te wanhopen. Want de zekerheid van ons behoud is niet afhankelijk van de mate van zekerheid of de waarde van ons geloof, maar alleen van de belofte van God zelf in zijn eigen Woord ! De een omhelst die belofte krachtig, de ander zwak en de meesten daar ergens tussenin. We moeten daarbij wel oprecht en standvastig blijven streven naar een omhelzing die zo veel mogelijk groeit in kracht. Door trouw gebruik te maken van de middelen. Maar de belofte van behoud blijft te allen tijde even krachtig en betrouwbaar !
Maar als ware gelovigen door hun eigen schuld afdwalen van behoud en soms voor een tijd de genade niet meer ervaren, dan moeten zij zich bekeren. En wanneer zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht weer over hen lichten. En zelfs voor hen geldt dat God hen bewaart, zodat zij zich bekeren !
Want onze God is gericht op en werkt continu aan ons behoud!

Dat wij in het genadeverbond zijn opgenomen is niet op grond van de waarde of de mate van zekerheid van ons geloof, maar we zijn daarvan verzekerd, alleen op grond van Gods eigen Woord !

Tot zover wat wij geloven.

Wat zegt de Westminster over de zekerheid van ons behoud en volharding?
Ook de Westminster zegt dat de ware gelovigen onfeilbaar ervan verzekerd worden dat zij in staat van genade zijn en daarin zullen volharden tot de zaligheid.
Maar zijn dan ALLE ware gelovigen er ALTIJD van verzekerd dat ze op dat moment in de staat van genade zijn en zalig zullen worden? Nee, zegt de Westminster (zie WG V&A 81 en WC H 18 punt 3), ware gelovigen kunnen wel eens lang moeten wachten voordat ze die verzekerdheid van genade en zaligheid  krijgen. Want, en nu volgt het gedeelte wat deputaten als in strijd met Schrift en belijdenis beschouwen: volgens de Westminster hoort de verzekerdheid van de genade en de zaligheid niet tot het wezen van het geloof. In het Engels wordt gesproken over 'essence of faith'.

Waarom zegt de Westminster zo uitdrukkelijk dat zekerheid van behoud niet tot het wezen van het geloof hoort?1
Hier zien we de invloed van de Puriteinen. Wat zijn Puriteinen? Puriteinen benadrukken de persoonlijke relatie met God en Christus door het geloof en de levensheiliging van de christen. Belangrijke onderdelen zijn: een intensieve bijbelstudie en een strikte zondagsheiliging.
De Puriteinen betoogden dat je verlossing niet afhankelijk is van de mate van zekerheid van je geloof. Anders zou je de gelovige dwingen om te vertrouwen op zijn eigen geloofszekerheid in plaats van op de toereikendheid van de verlossing van de drie-enige God. God eist niet een volledig en perfect geloof, maar oprecht en ongeveinsd geloof. Vervulling van Gods beloften hangen af van het aannemen van de gerechtigheid van Christus, niet van de mate van zekerheid in die daad. Als de verlossing zou afhangen van onze volle zekerheid van het geloof, zouden velen wanhopen, want dan zou "de verlamde hand van het geloof Christus niet aannemen".
Puriteinen betogen dat de zekerheid voortvloeit uit je geloof (als vrucht van je geloof) en tegelijkertijd dat het geloof groeit in zekerheid (en dus die zekerheid er in beginsel al is). Zij maken wel onderscheid tussen geloof en zekerheid, maar ze maken geen scheiding tussen geloof en zekerheid!!

Conclusie over onze geloofszekerheid
Onze conclusie is dat ook in onze belijdenissen beide aspecten van de zekerheid van het geloof aan de orde komen.
In de Heidelbergse Catechismus (Zondag 7 vr./antw. 21) wordt het geloof beleden als een zeker weten (!) dat Gods Woord volledig betrouwbaar is en een vast vertrouwen (!!) dat ook aan mij vergeving en eeuwige gerechtigheid en eeuwige heil geschonken zijn. In Zondag 1 belijden wij dat, terwijl wij al het eigendom zijn van onze trouwe Heiland Jezus Christus, Hij ons door de Heilige Geest zekerheid geeft van het eeuwige leven. En in Zondag 25 dat de Heilige Geest het geloof nog regelmatig in ons hart werkt telkens als het heilig evangelie wordt verkondigd en telkens weer versterkt als we de sacramenten gebruiken. En in Zondag 26 dat wij ervan verzekerd worden in de heilige doop dat het enige offer van Christus aan het kruis ons ten goede komt. En Zondag 27: Vooral wil God ons door de doop ervan verzekeren, dat wij even werkelijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als ons lichaam met het water gewassen wordt. Idem wat de verzekering betreft voor het Heilig Avondmaal (Zondag 28-30). En in Zondag 32 lezen we dat we nog goede werken moeten doen om zelf uit de vruchten zeker te zijn van ons geloof.
In de Dordtse Leerregels (H V art. 10) belijden wij dat de zekerheid van behoud en volharding VOORTKOMT UIT o.a. het geloof in Gods beloften.
En in de Dordtse Leerregels (H I art. 12) belijden wij dat de uitverkorenen, ieder op zijn tijd (!), worden verzekerd van hun uitverkiezing tot behoud, zij het niet bij iedereen even sterk (!) en in gelijke mate (!).

Maar wat zeggen deputaten?
Volgens deputaten BBK (pag. 90) wordt in de Westminster een beschouwing gegeven hoe een gelovige tot de verzekerdheid komt. Volgens hen "lijkt het erop dat de WS leert dat gelovigen aanvankelijk een stadium kunnen kennen waarin er geen verzekerdheid is. Dat “kan” voor hen later komen." Volgens hen geeft de Westminster dus een beschouwing hoe de gelovigen in z'n algemeenheid tot de verzekerdheid komen. Maar dan lezen zij niet nauwkeurig. Want de Westminster Confessie zegt in H 18 par. 3 (vetgedrukt door mij - JT):

Deze onfeilbare zekerheid behoort niet zozeer tot het wezen van het geloof dat een ware gelovige niet soms lang moet wachten en op veel moeilijkheden stuit eer hij daaraan deel krijgt.

en in WG vr. en antw. 81 (weer vetgedrukt door mij - JT)

V. Zijn alle ware gelovigen er altijd van verzekerd dat ze op dat moment in de staat van genade zijn en zalig zullen worden?
A. Aangezien de verzekerdheid der genade en zaligheid niet tot het wezen van het geloof behoort, kunnen ware gelovigen wel eens lang moeten wachten eer ze haar krijgen.

Als deputaten iets zorgvuldiger hadden gelezen, hadden ze kunnen constateren dat het mogelijk is dat EEN of EEN AANTAL ware gelovigen wel eens moeten wachten op de verzekerdheid van de genade en zaligheid, maar niet een algemene beschouwing hoe alle gelovigen tot de zekerheid zouden kunnen komen.
En als zij dan zeggen "het lijkt erop", zegt dat veel meer van hoe deze deputaten hun eigen gedachten in de Westminster lezen, dan dat het ook werkelijk daar zo staat geschreven. Maar dit zachte 'lijken' leidt wel tot zeer verstrekkende oordelen. Want deputaten concluderen vervolgens (pag. 91):

De leer van de WS over de zekerheid van het geloof geeft makkelijk ruimte tot een verkeerde bevindelijkheid met verschillende stadia in geloof, zoals dat via de nadere reformatie zich in Nederland heeft ontwikkeld, en moet worden afgewezen.

En zij stelden de Synode Groningen 2014 zeer verstrekkend voor (pag. 114) om van de Presbyteriaanse kerken te eisen om de Drie formulieren van Eenheid over te nemen OF om o.a.

De passages met betrekking tot de zekerheid van het geloof waarin gesteld wordt dat deze niet behoort tot het wezen van de kerk zodanig te veranderen, dat duidelijk wordt dat deze zekerheid wèl tot het wezen van het geloof hoort, ook al kan de gelovige uit zwakheid perioden van onzekerheid kennen.

(Waar zij spreken van 'het wezen van de kerk' zullen ze wellicht bedoelen 'het wezen van het geloof'.)

De Westminster stelt dat de zekerheid van ons behoud niet hoort tot het wezen van het geloof. Deputaten zeggen dat dat absoluut wel zo is en deze woorden moeten worden verwijderd uit de Westminster. Maar de Dordtse Leerregels spreken ook over die zekerheid als een voortvloeisel van ons geloof in Gods beloften! ...

Deputaten: momenten van twijfel = grove zonden waarmee de dood wordt verdiend
Deputaten stellen momenten van zwakheid, twijfel of gebrek aan zekerheid per definitie gelijk aan grove zonden waarmee gelovigen Gods toorn in hoge mate opwekken en dat de betreffende gelovigen opnieuw de dood verdienen. Ik citeer (pag. 91):

Dat laat onverlet het feit dat elke gelovige momenten van zwakheid kent, en ook dat hij wel eens kan twijfelen en de zekerheid niet voelen. Ook de Dordtse Leerregels spreken daarvan met name in Hoofdstuk V, art. 4 -11. Art. 5 zegt over de heiligen:

Met zulke grove zonden welken zij Gods toorn in hoge mate op; zij verdienen opnieuw de dood; zij bedroeven de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zijn brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer.

Zij zeggen vervolgens dat hiervan wel bekering mogelijk is en dat die perioden van onzekerheid wel mogelijk zijn maar dat die onzekerheid niet past bij geloof, maar bij ongeloof.

Daarover willen we nog twee opmerkingen maken: ten eerste spreken de Dordtse Leerregels in H I art. 16 ook over gelovigen die het levend geloof of het vertrouwen nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken, terwijl zij dat wel heel graag willen. Maar ze kunnen toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Here komen. Het is schrikbarend als deputaten over zulke mensen zouden oordelen dat zij de dood verdienen en dat dit grove zonden zijn. Dat gaat veel te ver. Deputaten doen dat wel omdat zij ons dit als algemene regel voorhouden: momenten van twijfel en gebrek aan zekerheidsgevoel = grove zonden. Van zulke redeneringen word ik echt bang, want hoe gaat men dan in de praktijk pastoraal om met deze gelovigen? Ik moet er niet aan denken. In de Dordtse Leerregels H I art. 16 gaat het over heel andere mensen dan in door deputaten aangehaalde H V art. 4-5 waar het over ware gelovigen gaat die door eigen schuld afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden. Schrikbarend als er geen onderscheid wordt gemaakt tussen hen die door eigen schuld afdwalen en zij die welwillend zijn ! Met zulke keiharde oordelen.
Ten tweede schrijven zij over die ware gelovigen van DL H V art. 4-5 dat van die grove zonden wel bekering mogelijk is. Daarvoor verwijzen zij naar "Nodiging en terugwijzing" uit het Formulier van de viering van het Heilig Avondmaal. Maar zij schrijven er niet bij dat God hen ook daadwerkelijk bewaart ! (Zie DL vanaf art. 6). Want die bekering vindt ook daadwerkelijk plaats ! Dankzij de genadige barmhartigheid van God !!

We constateren dat deze deputaten

  • onzorgvuldig en onnauwkeurig hebben gelezen;
  • niet grondig hebben onderzocht waarom de Westminster zo uitdrukkelijk de zekerheid niet tot het wezen van het geloof rekent;
  • speculeren door het gebruik van de woorden 'het lijkt erop';
  • ook hier weer een speculerende en veronderstellende oorzaak-gevolg relatie leggen: als zekerheid niet tot het wezen van het geloof hoort, dan ruimte voor verkeerde bevindelijkheid met verschillende stadia in geloof - die niet wordt onderbouwd met onderzoek;
  • zich onvoldoende hebben geconfronteerd met hoe onze belijdenissen meerdere aspecten belichten over de zekerheid van ons geloof;
  • zich onvoldoende hebben geconfronteerd met wat er over dit onderwerp op de synodes van de Canadian Reformed Churches al over is geschreven door de Canadian Reformed Churches, ook over de correspondentie van de Orthodox Presbyterian Church
  • onvoldoende rekening hebben gehouden met Gods barmhartigheid over de walmende vlaspit en het geknakte riet door hen onder een noemer te brengen met de grove zonden van de heiligen in de Dordtse Leerregels H 5, art. 4-11.

Nauwkeurig en zorgvuldig onderscheiden

Weet u wat heel belangrijk is bij het beoordelen van kerken? Wij geloven dat we zeer nauwkeurig en zorgvuldig, vanuit Gods Woord, de kerk horen te onderscheiden van sekten die zich ten onrechte kerk noemen. Die nauwkeurigheid en zorgvuldigheid missen we voor een groot deel in het meerderheidsrapport van deputaten BBK. Dat missen we in de vorige analyse over het (beperkt) open avondmaal, in deze analyse over de zekerheid van de genadestaat en in de nog te publiceren analyses, o.a. over de onzichtbare kerk.

 

Wij geloven een BARMHARTIG God,

want HIJ heeft BELOOFD dat hij

de walmende vlaspit NIET zal uitdoven en

het geknakte riet NIET zal verbreken.

JT

 

Lijst met afkortingen:

GS = Generale Synode

HC = Heidelbergse Catechismus

HC Z 00 = Heidelbergse Catechismus Zondag. Het nummer slaat op een van de zondagen: 1 t/m 52

WS = Westminster Standards

WC = Westminster Confessie

DL = Dordtse Leerregels

Bronnen:

gereformeerde-kerken-hersteld.nl 24-07-2014 PDF: Rapport Deputaten voor betrekkingen buitenlandse kerken.
(Geen van de gedane voorstellen uit zowel het meerderheids als het minderheidsrapport zijn overgenomen door de DGK Synode Groningen 2014. Ze dienen alleen maar als studierapporten bij contacten met buitenlandse kerken die deze geloofsbelijdenissen hebben. In de gronden wordt dan ook uitdrukkelijk genoemd dat in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland met buitenlandse kerken het hebben van de Westminster Standards als belijdenisgeschriften nooit als een onoverkomelijk bezwaar is gezien. En dat in contacten met 'Westminster-kerken' eerst en vooral duidelijk moeten worden of de kerkelijke praktijk overeenkomstig Gods Woord is. Bij positieve constatering hiervan is verder gesprek mogelijk over inhoudelijke verschillen tussen de onderscheiden belijdenissen. Acta GS Groningen 2014-2015 art. 6.01. Het besluit staat op pag. 45.) Hieronder de locatie van het meerderheids- en minderheidsrapport:

  • pag. 79-114 Meerderheidsrapport Westminster
  • pag. 115-125 Minderheidsrapport Westminster. De deputaat die het minderheidsrapport heeft geschreven stelde voor om niet over te gaan tot een besluit, maar deputaten BBK verder te laten studeren.

Op een website van de Liberated Reformed Church at Abbotsford (zusterkerk van DGK) is niet het evenwichtige minderheidsrapport gepubliceerd; er is jammer genoeg alleen (eenzijdig) de engelse vertaling van het meerderheidsrapport opgenomen, alsof dat het enige rapport is geweest over de Westminster. Bovendien wordt nergens op die website aangegeven dat het meerderheidsrapport en/of de daarop gebaseerde voorstellen uit het meerderheidsrapport (Hoofdstuk 8 'De conclusies en aanbevelingen' is niet gepubliceerd op hun website) niet zijn overgenomen. Het in het engels vertaalde meerderheidsrapport vindt u hier:

calltoreform.com 10-08-2015 The Research Report on the Westminster Standards to Synod Groningen‏ 2014of the DGK (hersteld).

Noten:

1 Vrije vertaling The quest for full assurance. The legacy of Calvin and his successors / Joel R. Beeke. Edinburgh, The Banner of Truth trust, 1999. XVI, 395 p. (Vereenvoudigde en geactualiseerde uitgave van J.R. Beeke's proefschrift (Westminister Seminary, 1988) en de handelseditie daarvan (New York, Peter Land, 1991).) pag. 113: (ol pdf 130)

Puriteinse gedachten over zekerheid rond 1640

Ten eerste leerden de Puriteinen dat het zaligmakend geloof moet worden onderscheiden van zekerheid. Hoewel zaligmakend geloof per definitie zekerheid bevat, moet volle verzekerdheid worden beschouwd als vrucht van het geloof in plaats van de essentie van het geloof.

(...)

De Puriteinen ontkenden niet dat er enige zekerheid was in elke geloofsoefening, zodat ze konden zeggen dat alle gelovigen zekerheid hadden in bepaalde perioden. "Er zijn Christenen van alle leeftijden en soorten en maten in Gods familie" schreef Robert Harris; vandaar dat "al Gods kinderen enige zekerheid hebben, maar niet allemaal in dezelfde mate." Volgens Rutherford zijn geloof en zekerheid organisch gerelateerd. Hij schreef "Geloof is een zekerheid van kennis dat Christus naar de wereld kwam om te sterven voor zondaars en een rusten in een afhankelijk zijn van Christus met heel ons hart voor onze zaligheid." Echter de zekerheid waarover zulke theologen meestal schreven  betrof volwassen, zelfbewust geloof. In die zin is verzekerdheid niet de essentie van het geloof, maar van de "room van het geloof". ["room van het geloof": groei in kracht en rijkdom van het geloof, maar niet een verandering van de inhoud - JT]
Dit duaal gebruik van dit woord verklaart waarom de Puriteinen stelden dat "zekerheid niet de essentie is van een Christen" maar organisch is bij de essentie van het geloof. Richard Hawkes merkt terecht op "Terwijl de Puriteinen de volle verzekerdheid onderscheiden van de het initieel geloofsvertrouwen, staan zij niet toe om een scheiding tussen die twee te maken omdat de volle verzekerdheid impliciet voortvloeit uit een zekerheid bij de eerste geloofsdaad." Vandaar dat Puriteinse theologen konden spreken zowel van zekerheid die voortvloeit uit het geloof als van geloof dat groeit in zekerheid. Bijvoorbeeld Thomas Brooks schreef "Geloof zal, bij tijden, uit zichzelf groeien en zichzelf voortstuwen naar de zekerheid.
Dit onderscheid tussen geloof en zekerheid had diepgaande leerstellige en pastorale gevolgen.  Als de rechtvaardiging afhankelijk wordt gemaakt van zekerheid, zou dit de gelovige dwingen om te vertrouwen op zijn eigen gesteldheid in plaats van op de toereikendheid van de verlossing van de drie-enige God. Zo'n afhankelijkheid is niet alleen een ongezonde leer, maar brengt ook nadelige pastorale effecten met zich mee. God eist niet een volledig en perfect geloof, maar oprecht en ongeveinsd geloof. Vervulling van Gods beloften hangen af van het aannemen van de gerechtigheid van Christus, niet van de mate van zekerheid in die daad. Als de verlossing zou afhangen van onze volle zekerheid van het geloof, zouden velen wanhopen, want dan zou "de verlamde hand van het geloof Christus niet aannemen", schreef John Downame.
Gelukkig hangt de zekerheid van verlossing niet af van de gelovige, want "de gelovigen hebben niet in dezelfde mate de verzekerdheid van genade en gunst van God, noch hebben dezelfde gelovigen die te allen tijde." Pastoraal is het van cruciaal belang om te handhaven dat er sprake kan zijn van twijfel, zelfs bij rechtvaardigend geloof.


site:canrc.org "assurance of faith", "westminster"

Naschrift 5 juli 2016 - Wat staat er in de Acta / Deputatenrapporten van de Canadian Reformed Churches over Assurance of faith (wat we online konden vinden op de site van de CanRC)?

2007 Reports to General Synod Smithers 2007 Committee for Contact with Churches in the Americas (CCCA) - REPORT 3: The Orthodox Presbyterian Church (OPC) - Appendix 1: Synopsis of past discussions with OPC Topical Summary of Various Issues and Position Papers which have been written over the years between the Orthodox Presbyterian Church and the Canadian Reformed Churches (1965-2004) - pdf pag. 146:

B. Assurance of Faith

An apparent difference between the federations concerns the question: is assurance an essence of faith? Pointing toWestminster Confession Ch. 18, par. 3, the CCOPC reported to Synod 1971 (p. 61, C3) that the Confession does not speak of the “sure knowledge and firm confidence” of the faith as known to the continental confessions, but of subjective assurance as distinct from the commitment to Christ (cf. Canons of Dordt, Ch. 1:16). The impression may be given, from Ch. 18 of the Westminster Confession and from the Larger Catechism, Question and Answer 81, that personal assurance is a grace that is added to faith (Appendix 5, Report of CCOPC to Synod 1974, p. 104). In its Report to Synod 1977 (Appendix 6, p. 95-101), the CCOPC includes a letter from CEIR noting that whereas the Heidelberg Catechism defines faith in terms of contrast to Roman Catholicism, the Westminster Confession harks back to the writing of Martin Bucer, in which saving faith is portrayed as entrustment to Christ (Acts 16:31). In its letter to CEIR (Appendix 5, Report to Synod 1980, p. 196), the CCOPC points out that according to the Canons of Dordt, Chapter 5, Art. 9 (and Chapter 5, Art. 4), assurance is essential to the faith.While the Canadian Reformed stress on the assurance as rooted in the work and person of Christ gives strength to the believer, the OPC perspective of assurance as not an essence of the faith is not a hindrance to unity (CCOPC Report Appendix IIB, Acts 1986 = Clarion 34.10 1985, Clarion 34.11 1985).

1986 ACTS General Synod 1986 - Canadian Reformed Churches - REPORT OF THE COMMITTEE FOR CONTACT WITH THE ORTHODOX PRESBYTERIAN CHURCH TO GENERAL SYNOD 1986 - pdf page 121

4. As to the “assurance of faith’’ the CEIR feels that there is no basic difference between the Westminster Standards and the Reformed Confessions. They refer to the Canons of Dort, Chapter V, Art. 11, which says that “believers in this life have to struggle with various doubts, and . . . they do not always feel this full assurance of faith . . . .” The fact that the OPC often has to work with people of an evangelical background with an “easy believism” (“just trust in Jesus”) plays a role here, according to the CEIR. Overagainst this they wish to stress the warnings and commands of Scripture to persevere, without denying that the focus of faith is the Lord and His promises.
Your Committee does appreciate this awareness of an easy “believism,” especially against the background of an Arminian evangelicalism. Although the expression, “the essence of faith” (Westminster Confession, Ch. 18, 32; L. Catechism, A. 81), could be amended, it cannot be denied that also in the OPC it is proclaimed that the assurance of faith is to be found in Jesus Christ and His promises, and not in the personal experiences of the believer.

(...) [pag 122]

6. Coming to a conclusion of our evaluation of the reaction of the CEIR regarding the divergencies, your Committee is of the opinion that,
a. the letter of the CEIR of the OPC, dated October 23, 1983, is written in an open and brotherly spirit and has clarified some points of difference;
b. this letter, however, did not bring us much closer to a uniformity of opinion with regard to the divergencies under discussion;
c. this is only partly due to the fact that this latest reaction of the CEIR misses somewhat the doctrinal depth and clarity of a previous communication of the CEIR (April 14, 1976);
d. this is mainly because these points under discussion are related to the different ways the Westminster Standards on the one hand and the Three Forms of Unity on the other hand approach the doctrine of the Church, the covenant of grace, the assurance of faith, etc. These differences are embedded in the historical and confessional history of the OPC and the CRC;
e. although the Westminster Standards could benefit from a careful emendation with regard to the formulation of these points of doctrine in order to improve the Scriptural contents of these Reformed Confessions, we seriously doubt whether it will serve a useful purpose to continue this discussion of divergencies on a Committee level;
f. both Churches should honestly recognize these differences and be willing in a continued contact to enrich each other with the Scriptural knowledge and understanding of the doctrine of salvation.

(...) [pag 140] COMMITTEE ON ECUMENICITY AND INTERCHURCH RELATIONS ORTHODOX PRESBYTERIAN CHURCH

A. 2. Assurance of Faith
We feel that the two sets of confessional traditions do not basically differ. There is stress on the assurance that a believer has in both, and a realization that “believers in this life ... do not always feel this full assurance of faith" (C.D., Article 11), in both.
From our perspective, in working with people of evangelical training, we find an easy believism (‘just trust in Jesus’) coupled with a false doctrine of eternal security making such people resistant to the warnings of Scripture and the commands of Scripture to persevere. This is not to deny that the focus of faith is the Lord and His promises.

(...) [pag 147] - Committee for Contact with the Orthodox Presbyterian Church - EVALUATION OF DIVERGENCIES

3. Assurance of Faith
The Westminster Confession Ch. 14.2 gives a description of faith, while Ch. 18.3 speaks about the personal assurance of grace and salvation in these words, “This infallible assurance doth not so belong to the essence of faith, but that a true believer may wait long, and conflict with many difficulties before he be a partaker of it.” Also Answer 81 of the Larger Catechism states, “Assurance of grace and salvation not being of the essence of faith, true believers may wait long before they obtain it.” The 1971 report of our Deputies aired the opinion that this Confession regarding the lack of full assurance in the believer agrees with Article 16 of Ch. 1 of the Canons of Dort which speaks of “those in whom a living faith in Christ, an assured confidence of soul, peace of conscience, an earnest endeavor after filial obedience, a glorifying in God through Christ, is not as yet strongly felt.”
The OPC Committee in its 1976 letter referred also to the Canons of Dort, Fifth Head, Article 11 which says “that believers in this life have to struggle with various doubts, and that under grievous temptations they are not always sensible of this full assurance of faith and certainty of persevering,” The OPC Committee recognized the dangers of subjectivism and mysticism, but pointed out that they are also found among Reformed people in The Netherlands and on the North American continent oriented to the Three Forms of Unity. They appreciated our testimony to the fact that the hope and joy of the believer is rooted and grounded in Jesus Christ and His promises, and not in his own personal experience.
Although the expression about “the essence of faith” could be amended, Synod 1977 could also in this point not deny that a Church that adheres to the Westminster Standards can be called a true Church.

1980 ACTS General Synod 1980 - Canadian Reformed Churches - pdf pag 65:

(ii) Objections to the Decision of Synod Coaldale
Several Churches object to this decision of Synod Coaldale to recognize the O.P.C. as a true Church according to Article 29 of the Belgic Confession: The Church of Burlington-West, Watford, Grand Rapids, Smith- ville, Chilliwack and Chatham, as well as br. W.C. vandenHaak. They charge that Synod Coaldale did not prove that the marks of the true Church are present in the O.P.C. They come with the following objections:

a. Preaching and Doctrine

(...)

3. The doctrine of Faith
The Westminster Standards teach that “assurance” is not an essential element of true faith. This is contrary to Scripture (Hebrews 11:1; Romans 4:18-21; Ephesians 3:12) and conflicts with Lord’s Day 7 of the Heidelberg Catechism.

(...) [pag 68] (ii) Objections to the decision of Synod Coaldale considered

4. Notwithstanding the fact that the Westminster Standards use expressions and distinctions that are absent in Scripture (invisible and visible church, covenant with the elect, assurance of faith is not essential, law of nature), it has not been proven that these expressions and distinctions warrant the evaluation that a Church that adheres to such Standards cannot be called a true Church.

(...) [pag 196] Letter from CanRC COMMITTEE FOR CONTACT WITH THE ORTHODOX PRESBYTERIAN CHURCH to OPC Committee on Ecumenicity and Interchurch Relations

A-2: Assurance of Faith
The question raised by us was: do the Westminster Confession (Chapter 18, III) and the Larger Catechism (Answer 81) not teach two kinds of faith: one including the assurance of faith and the other not including this assurance? The Larger Catechism states very clearly that assurance does not belong to the essence of faith. “Assurance of grace and salvation not being of the essence of faith, true believers may wait long before they obtain it . . . .” We note that, to our knowledge, only the Westminster Confession and Larger Catechism state that assurance is not an essential element in faith. Calvin’s Geneva Catechism, 1541, the Heidelberg Catechism, 1563, Craig’s Catechism, 1581, the New Catechism of Scotland, 1644, all speak of faith in terms of assurance. This is in agreement with the Scriptures. Hebrews 11:1, Romans 4:18-21, Ephesians 3:12.
It seems that you have not realty answered our objection in this respect and that your reference to the Canons of Dordt (Chapter V, Article 11) is not to the point here. Chapter V, Article 5 states that those who are converted can fall into serious sins, by which they "interrupt the exercise of faith.” This is not the same as having faith but not having the assurance of faith. In Chapter V, Article 9 we confess that “true believers may and do obtain assurance according to the measure of their faith.” This implies that assurance is essential in faith. Note in Chapter V, Article 4 also the expression “full assurance of faith.” This indicates again that assurance is essential in faith.
Subjectivism and Mysticism have no confessional basis in the Canons of Dordt, but are in Reformed circles the outcome of misinterpretation of the doctrine of God’s predestination or the result of Pietism. To separate faith and assurance in essence and chronological order — “true believers may wait long before they attain it" — is dangerous.
Nevertheless, we are thankful that you agree with our testimony that the hope and joy of the believer is rooted and grounded in Jesus Christ and His promises, and not in his own experience.

1977 General Synod 1977 - Canadian Reformed Churches - Letter dated April 14, 1976, of Committee on Ecumenicity and Interchurch Relations of the Orthodox Presbyterian Church to our Committee for Contact with the Orthodox Presbyterian Church - pdf page 96:

Concerning A-2, your letter signalizes a characteristic difference between the Heidelberg Catechsim and the Westminster Confession respecting the definition of saving faith. The Heidelberg Catechism, following Calvin, defines saving faith in terms of assurance and thus makes assurance of the essence of saving faith. Historically this definition set the Reformed position in the clearest way over against the Roman system which could offer its faithful no assurance and even regarded assurance as dangerous to their spiritual health. The Westminster Confession follows a different line, but one which goes back at least as far as Bucer, in terms of which saving faith is defined as entrustment to Christ in order to be saved after the pattern of Acts 16:31 where the faith enjoined could hardly be assurance that one is already saved. This active faith does carry with it, however, a basic element of assurance as a reflex to which the Westminster Confession refers when it says that believers are “never utterly destitute of that seed of God, and life of faith, that love of Christ and the brethren, that sincerity of heart, and conscience of duty, out of which, by the operation of the Spirit, this assurance may, in due time, be revived, and by the which, in the mean time, they are supported from utter despair,” Chapter XVIII, Section 4. What the Westminster Confession says of the lack of full assurance runs parallel to what is found in the Canons of Dordt, Fifth Head, Article 11, which says “that believers in this life have to struggle with various carnal doubts, and that under grievous temptations they are not always sensible of this full assurance of faith and certainty of persevering.” It would appear to us no more difficult to reconcile the teaching of the Westminster Confession with the Heidelberg Catechism than to reconcile the Canons of Dordt with the Heidelberg Catechism.
We recognize, as you have pointed out, the dangers of subjectivism and mysticism; but if a confessional basis for these errors can be found in the Westminster Confession and Catechisms, it can also be found in the Canons of Dordt; and as you are aware, this subjectivism and mysticism are found not only among Presbyterians oriented to the Westminster standards, but also among Reformed people in The Netherlands and on the North American continent oriented to the Three Forms of Unity. We appreciate the testimony which the Canadian Reformed Churches have borne to the fact that the hope and joy of the believer is rooted and grounded in Jesus Christ and His promises, and not in his own personal experience.

1974 Acts of Synod 1974 - Canadian Reformed Churches - pdf pag.107, 108 -A letter from COMMITTEE FOR CONTACT WITH THE ORTHODOX PRESBYTERIAN CHURCH to the Orthodox Presbyterian Church

The observations, considerations, conclusions and decision adopted by Synod in response to the report and recommendations of deputies of the previous Synod, and in response to letters and overtures presented to Synod read as follows:

(...)

Proceeding now to the heart of the matter, Synod stated in point 7 of its conclusions “that divergencies in confession and in Church-polity are serious enough to remain the subject of further and frank discussion”.
The doctrinal divergencies are mainly based on the following passages of the Westminster Confession of Faith and of the Larger Catechism.

(...)

A.2. Westminster Conf. Ch. 18, III and Larger Cat. Question and Answer 81, re: the assurance of faith.
We understand that whereas Westminster Confession Ch. 14, II gives a description of faith, W.C. Ch. 18, III and L.C. Answ. 81 deal with the personal assurance of grace and salvation of the believers.
However the last two passages are worded in such a way that the conclusion may be drawn from them that assurance is not an essential part of faith, but a grace which is added to faith.
In the history of the Reformed Churches we have noticed that the separation of faith and assurance drew many children of God away from the solid ground of the promises of God and from the obedience of faith. Psalm 105; Psalm 111; Galatians 5, Romans 15, as revealed in His Word.
It made them fall into the pit of a bottomless subjectivism and mysticism which proved to be disastrous for spiritual health and growth, the peace with and the joy and hope in God.

(...) [pag 109]

In view of what was mentioned under A, 1,2, 3, 4, 5, we would like to ask you to consider these points, which in our opinion imply the confessing of two Churches, a visible Church and an invisible Church, two covenants, one with the elect and one with the believers and their children; and two kinds of faith, one, including the assurance of faith and the other not including this assurance.

1971 ACTS General Synod 1971 OF THE CANADIAN REFORMED CHURCHES NEW WESTMINSTER B.C. - pdf pag 61, 65:

C. Point 2 of the mandate of the Synod of Edmonton instructed deputies “to discuss with the deputies of the O.P.C. the differences in Confession and Church-government between the O.P.C. and our churches and to examine these divergences in the light of the Word of God.”
The following points were brought up by deputies:

(...)

3. Chapter 18 of the W.C. speaking of the assurance of grace and salvation reads in paragraph 3: “This infallible assurance doth not so belong to the essence of faith but that a true believer may wait long, and conflict with many difficulties before he be partaker of it.” Comp. L.C. Q 81.
The W.C. according to the committee, does not deny in these words that faith is “a sure knowledge" and “a firm confidence” as confessed in Lord’s-Day 7 of the Held. Cat., but speaks of the subjective assurance of faith which is to be distinguished from the, commitment to Christ. Reference is made to Ch. 1:16 of the Canons of Dort which may be compared with the confession of the W.C. on this point.

(...)

c. Ad W.C. Ch. 18, 3. This article confesses in its first alinea: “This infallible assurance doth not so belong to the essence of faith, but that a true believer may wait long, and conflict with many difficulties before he be partaker of it;”
Compare A. 81 L.C. which states among other things, “Assurance of grace and salvation both being of the essence of faith, true believers may wait long before they obtain it”.
In Ch. 14: 2 the W.C. gives a description of faith. It reads, “By this faith, a Christian believeth to be true whatsoever is revealed in the Word, for the authority of God Himself speaking therein, and acteth differently upon that which each particular passage thereof containeth; yielding obedience to the commands, trembling at the threatenings, and embracing the promises of God for this life, and that which is to come. But the principal acts of saving faith are accepting, receiving, and resting upon Christ alone for justification, sanctification, and eternal life, by virtue of the covenant of grace.”
Compare Shorter Catechism Q. and A. 86; “What is faith in Jesus Christ? Faith in Jesus Christ is a saving grace, whereby we receive and rest upon Him alone for salvation, as He is offered to us in the gospel”.
However, Ch. 18: 3 of the W.C., different from Ch. 14: 2, the W.C. and from A, 86 of the Shorter Catechism does not give a description of faith, but speaks of the personal assurance of grace and salvation of the believers. This appears from Ch. 18: 4, which begins: “True believers may have the assurance of their salvation divers, ways shaken. diminished, and intermitted”; And from Ch. 14: 3 which confesses: “This faith is different in degrees, weak or strong;”
This confession regarding the lack of full assurance in the believer agrees with article 16 of Ch. 1 of the Canons of Dort which speaks of “those in whom a living faith in Christ, an assured confidence of soul, peace of conscience, an earnest endeavor after filial obedience, a glorying in God through Christ, is not as yet strongly felt,”

Laatst aangepast op dinsdag 19 juli 2016 10:21  

Nieuws

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Onze ervaring tot hermeneutische sleutels geworden - boekbesprekingen...

Update 14/12: Dr. Hans Burger mailde mij dat in onderstaand artikel de weergave van zijn positie zoals hij die in Cruciaal verwoordt, onjuist is. Ik kom daar nog op terug. CGK Prof.dr. H.J.... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]