Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Contact & div. Normen en houding voor schrijvers en lezers

Opvallend actueel

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

Vervolgens: als Prof. Grosheide in de pluriformiteitsleer een noodsprong ziet, is dan wel het bezwaar zó dwaas van hen, die beweren: ‘hier wordt een beschouwing over de kerk opgebouwd onder invloed van de praktijk van ‘hetgeen voor ogen is’? Terwijl zij juist volhouden: over heel de linie van het BELIJDEN moet men zijn begrippen en zijn geloofsinhouden niet opbouwen onder druk van de ‘ervaring’, maar op grond van de Schrift; want op ‘ervaring’ een leer funderen (al is het ook met het onaangename gevoel van een ‘noodsprong’ te doen), dat is feitelijk, wat de METHODE betreft, niet gereformeerd?

En tenslotte: als Prof. Grosheide van een ‘noodsprong’ spreekt, is het dan acht jaren nadat hij dit erkende, wel goed, zó nadrukkelijk het hoofd te schudden over anderen, die dit zelfde eveneens hebben beweerd, maar dan met de eis erbij, dat men één van beide doen zou: over heel de linie van het gereformeerde denken de opstelling van leerbegrippen bij wijze van ‘noodsprongen’ geoorloofd te achten (maar dan is het direct gedaan met dat denken), óf over heel de linie van dat denken de ‘noodsprong’ hartgrondig te verwerpen, omdat de God van de Schrift, ons in ons gelovig denken niet laat liggen in de aporie, de verlegenheid?

Bron: dbnl.org - K. Schilder - 1936 - Prof. Grosheide vroeger over de pluriformiteit der kerk

 

 

De kerken durven niet van de andere kerken te zeggen, dat die valse kerken zijn. Hoogstens zegt men dat van de organisatie van deze of gene kerk. Maar niet van de kerk als zodanig. De kenmerken, die Art. 29 van onze Belijdenis opsomt als de kenmerken van de valse kerk, passen volstrekt niet op laat me nu maar zeggen alle kerken, die in Nederland naast de Gereformeerde kerken voorkomen. En daarom kunnen we ze ook geen valse kerken noemen. Zo zijn de godgeleerden er toe gekomen om te spreken van de pluriformiteit of de meervormigheid van de kerk. Men wil daarmee uitspreken, dat, ook al acht men de eigen kerk de beste, men toch niet ontkennen wil, dat ook in andere kerken kinderen van God zijn, ja, dat die andere kerken ook min of meer tonen de kenmerken van de ware kerk.

In onze belijdenis komt deze pluriformiteit niet voor. Dat komt, omdat onze vaderen praktisch alleen te rekenen hadden met de Roomse en met de Gereformeerde kerken. Maar in zekere zin kenden onze vaderen het vraagstuk toch wel. De Dopersen vormden geen kerk, maar de Luthersen wel en da Gereformeerden hebben de Luthersen steeds als broeders erkend. Maar zoals men in het begin hoopte, dat heel de kerk tot reformatie zou komen, zo heeft men lang gehoopt, dat tenminste alles wat van Rome vrij was in één kerkverband zou kunnen leven. Zo is door onze vaderen dit vraagstuk niet uitgewerkt zó als het nodig zou zijn met het oog op de situaties van onze tijd.

Zie digibron- de reformatie - ks - 1936 - over pluriformiteit van de kerk

 

digibron - de reformatie - k. schilder - 1951 - "Het" kan op duizend manieren - Citaat:

Tot het goed-vrijgemaakt zijn behoort;

a. dat je met alle „rare" snuiters (te beginnen met'' jezelf) wilt samenleven in één kerkverband, met allen, die gewillig en bereid zijn, langs den geordenden weg elkaar te dragen in meeningsverschillen, die pas langzaam, langzaam kunnen worden opgelost qua geschillen, en die, zoodra het hun bij gebleken noodzaak (!) gelukt mocht zijn (wat een heele toer vaak is) een geschil-van-meening te formuleeren in confessioneele taal, het langs den geordenden weg te behandelen naar Schrift en Belijdenis.

en in hetzelfde artikel geeft schilder ook aan dat al eerder is gewezen op verschil van houding tov CGK voor en na 1944 - citaat:

d) Nu vind ik het altijd prettig, als iemand van oordeel is, dat mijn particuliere meening een goeie weergave is van het standpunt van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Zelfs vind ik het wel leuk voor een synodocratisch penvoerder, dr H. N. Ridderbos, die zoo tegen Pinksteren nog weer eens oude koeien, maar dan heelemaal geretoucheerd, uit de sloot haalt, ten onrechte vertellende, dat we heden zóó, morgen anders redeneeren tegen de Christelijke Gereformeerden. Hij heeft er maar een klein beetje van begrepen.

en over dat K. Schilder zowel voor de vrijmaking als daarna herhaaldelijk heeft uitgesproken - citaat:

Daarom repte ik in het begin van dit artikel even van het Pinksterfeest. Een ander artikel in dit nummer spreekt over het Pinksterfeest van het feest van ''t f ij n e puntje. Ik ben vast overtuigd, dat God wil, dat de Chr. Gereformeerden en wij gaan samenleven. Die overtuiging heb ik al lang vóór de vrijmaking herhaaldelijk uitgesproken en die zat er juist a c h t e r, als ik tegen een m.i. o n j u s t e teekening van de tusschen hen en ons aanwezige situatie fel opponeerde.

 

De wil, om de kerk over heel de wereld te vergaderen, is in de kerk primair. Als iemand door mijn |14| schuld buiten de kerk blijft, ben ik schuldig en is zijn bloed op mijn hoofd. Ditzelfde geldt van de eenheid der geloovigen. Er zijn er die zeggen, we kunnen bijv. beter niet met de Chr. Gereformeerden vereenigen, want het zijn lastige menschen. Toch moèten we bij elkaar roepen. Daarom moet de kerk ook nooit meer belijden, dan noodig is om samen te belijden. De belijdenis spreekt over verschillende punten opzettelijk zeer onduidelijk (over sommige punten zwijgt ze opzettelijk). Want de belijdenis moet ten deele een compromis zijn: eensdeels een kras belijden van wat de kerk gelooft, anderdeels ook een in-het-midden-laten van bepaalde punten, waarover niet per sé gelijk gedacht hoeft te worden. Als de kerk in haar belijdenis meer oplegt, dan God eischt, zijn we schuldig als menschen buiten blijven. Een bepaalde theologische meening mag dan ook zoo maar niet in de confessie worden ingeschoven. We móeten jagen naar een wereldkerk. Als we voorloopig federatief konden samenwerken, zou het oecumenische in de hand gewerkt worden. Alleen, we moeten aan God vragen wat oecumenisch is, en vóór alles moet de kerk kerk blijven. De bede is eerst: „Bewaar . . .”, en daarna „Vermeerder Uw kerk”.

Bron: neocalvinisme.nl Verslag van de „catechisatie” van Prof. Dr. K. Schilder, te Assen op 7 December 1941 (Buiten verantwoordelijkheid van Prof. Schilder)

 

De tragiek in de argumentatie der kerkelijke eenheidsbeweging.

In de onderscheiden betogen, die men telkens weer tot zich voelt richten in een oproep om mee te doen in de hedendaagse eenheidsbeweging op kerkelijk gebied, is mijns inziens een tragisch moment niet te miskennen.
Herhaaldelijk toch wordt gezegd: dat men dient te zoeken naar een manifestatie van de eenheid der kerken, en zich bewust dient te onthouden van het met name noemen, of in het openbaar vertonen, van de geschillen, die de kerken verdeeld houden; - want, zo heet het dan, met name onder gereformeerden, want we hebben toch uit te gaan van de pluriformiteit der kerk?
Maar wat is dat anders, dan zijn eigen oproep tot eenheid van zijn klem beroven?
Immers, als de pluriformiteit der kerk, gelijk ze in al zulke vertogen wordt beweerd en uitgewerkt, inderdaad een openbaring is van de ‘veelvormigheid’, die God in Zijn schèpsel, Zijn wèrk, gelègd heeft, - en àls dan inderdaad deze pluriformiteit (over het woord praten wij nu maar niet) zich ook openbaart als een werk Gods in het naast elkander kómen staan (blijkbaar wat erg laat is hier Gods lente....) van de onderscheiden kerk-instituten, -

welnu, dan heeft men:
a)    mensenwerk (in het naast elkaar komen staan van die instituten) aangediend met een mooien naam, die speciaal voor Gods werk wordt gebezigd;
b)    daarom de klem van zijn het eenheidsstreven ondersteunend betoog weggenomen;

immers: als God door onze pluraliteit heen Zijn pluriformiteit werkt, waarom zou ik Hem dan tegenstaan, en de late lente tot een vroegen winter maken, door die veelheid van instituten en kerken weg te nemen?
Het komt mij dan ook voor, dat het hanteren van het pluriformiteits-argument een tragisch moment is in de min of meer ‘pluriforme’ eenheidsverzuchtingen uit verscheiden kerkelijke boeken.
Meer kracht schijnt mij gelegen in de handhaving van de belijdenis, dat ‘ieder schuldig is, zich tot de ware kerk te voegen’. Als ik dat geloof, heb ik tenminste nog wèrk voorlopig.

Bron: K. Schilder, De Reformatie, 19 februari 1932

 

In ‘Goudse Kerkbode’ spreekt Ds Kalkman met sympathie over het streven van ‘De Reformatie’ inzake het zoeken naar kerkelijke eenheid tussen wie gelijke belijdenis hebben. Ds Kalkman heeft evenwel één bedenking: hij meent, dat men over en weer elkaars bestaansrecht erkennen moet, om tot eenheid te komen, en wijst erop, dat wij toch ook elkaars doop erkennen. Hetgeen een erkennen van het bestaansrecht insluit, naar zijn mening.

Dankbaar voor Ds Kalkman's artikelen, vroeger en nu, zou ik op dit éne punt met hem van mening willen verschillen.

ad a) Naar mijn mening is de erkenning van elkanders ‘bestaansrecht’ als ‘(afzonderlijk) kerkelijk instituut’ het grote struikelblok voor de eenheidspogingen. Want als we het rècht hebben naast elkaar te blijven, dàn laat ik persoonlijk liever alles wat is, kalm voortbestaan; het leven is dan voorlopig wèl zo rustig. Maar ik geloof niet, dat Christus ons het rècht geeft de zaak blauw blauw te laten. Ik geloof, dat Hij verbinden wil, wat samenwonen kan in één belijdenis. En daarom moeten wij het bestaansrecht der Chr. Geref. kerk ontkennen; en kunnen ook haar leden, als zij ernst maken met het grond-axioma, zoeven genoemd, niet anders doen, dan het bestaansrecht van ons instituut ontkennen (zoals de èchte chr. gereformeerden ook altijd gedaan hèbben, in tegenstelling met latere ‘Wekker’-artikelen, die het aantal ‘ware kerken’ begonnen aan te lengen, en dus een neo-chr. geref. opvatting vertoonden). Over de wijze, hóé wij dan samenkomen kunnen met deze wederzijdse opvatting ten aanzien van elkaar, schreef ik reeds. Zodra men inziet, dat samenwonen eis is, is het een kwestie van gehoorzaamheid, eraan te voldoen. Een persoonlijke mening, of zelfs een voormalige kerkelijke uitspraak over de onwettigheid van eens anders kerkbestaan, is de facto buiten werking gesteld, zodra de nieuwe groepering feit is. En om een meningsverschil mag men elkaar in Gods huis niet voorbijlopen; de kerk is geen gemeenschap van logica, of van zuivere ‘Deutung’ van kerkgeschiedenis(sen).

Bron: K. Schilder, De Reformatie 4 augustus 1933, Bestaansrecht-erkenning voorwaarde voor samenkomst?

Graag benadruk ik (J.T.) K. Schilders woorden: Ik geloof, dat Hij verbinden wil, wat samenwonen kan in één belijdenis. (...) Zodra men inziet, dat samenwonen eis is, is het een kwestie van gehoorzaamheid, eraan te voldoen. Een persoonlijke mening, of zelfs een voormalige kerkelijke uitspraak over de onwettigheid van eens anders kerkbestaan, is de facto buiten werking gesteld, zodra de nieuwe groepering feit is. En om een meningsverschil mag men elkaar in Gods huis niet voorbijlopen; de kerk is geen gemeenschap van logica, of van zuivere ‘Deutung’ van kerkgeschiedenis(sen).

 

Zalig is hij, die niet ziet, ook vandaag niet, maar waarachtig gelooft. Zalig in dit zijn doen, want hij heeft de schoonheid gezien van God en de waarheid beleefd en den zin van de onzinnige wereld geloofd, en op dien zin breekt alle onzin stuk.

Geloofd zij God. Is het niet mooi om het zo te zien en gereformeerd te zijn in het lezen van den Bijbel?

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Alle dingen tenslotte geloven wij en prediken wij, omdat wij de kerk zien als zaak van eenheid van tijd en eeuwigheid. Wij hebben in het begin gezegd: de Zoon Gods, Christus Jezus, mijn Heer, is voor mij de zichtbaar-wording van tijd en eeuwigheid. Waar Hij werkt, kan de tijd nooit tegenover de eeuwigheid staan. Welnu, dat de Zoon Gods aan het vergaderen is, is een bewijs, dat tijd en eeuwigheid samenvallen en dat het daarom goddeloos is, de kerk los te maken van de eeuwigheid. De Zoon Gods is voor mij een garantie van tijd en eeuwigheid, en niet Hij alleen, maar de Zoon Gods, die mij gekocht heeft met Zijn bloed en mij heeft wedergeboren, bewijst mij in mijzelf, dat de garantie vandaag reeds wissels afgeven gaat. Ik ben een levend lid der kerk en zal dat eeuwig blijven. Als ik vandaag lid van de kerk ben, blijf ik dat eeuwig. Ik ben niet vandaag in een huis beneden om straks in een ander over te stappen. Ik ben niet in een huis van negatieve rust van de zonde, om later een ander huis te betrekken van de rust in God, maar het huis waarin ik vandaag ben, daarin blijf ik eeuwig. Inderdaad komt er storm, straks als de kerk klaar is, als de laatste uitverkorene wedergeboren is. In één punt des tijds vergaat de wereld: de graven gaan open. Dat punt des tijds is een zo radicale omzetting als toen bij de geboorte mijn bloed anders ging stromen. En als de wereld vergaat, zal het bloed van de kerk anders stromen gaan, maar de kerk blijft, of liever houdt op kerk te zijn, ze wordt wederom mensheid Gods. Oorspronkelijk was er geen kerk, maar gemeenschap Gods. Als Christus straks komt aan het einde der dagen, als de Heilige Geest klaar is met bidden en als boven de kerk klaar is en wij hier klaar zijn, zal de Zoon het Koninkrijk aan den Vader overgeven, opdat God in allen alles zou zijn. Dan blijft de kerk, maar haar naam krijgt ze niet van den tweeden Adam en ook niet van den eersten, maar van God.

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Uw werk kan ook pas gehandhaafd worden, als ze elken dag beeft voor de verkiezing Gods, die elken maatstaf uit de handen slaat en alleen wijst op den maatstaf van het verborgen Woord.

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Ook over deze dingen moeten wij kras met elkaar durven praten. Juist in de kerken, waarin men zegt: och, niet om iets dat in of aan ons is en waarin men dat tot het kenmerk van de preek maakt, juist daar is men altijd gewoon van de enkele ziel, maar niet van de kerk als organisme te spreken. Daar maakt men kerkjes op grond van wat in of aan ons is. Ieder dient God in z'n eigen huisje en zegt: Heer, onze aanleg wordt heerlijk gestreeld. De wind Gods gaat over die gebeden heen en Hij zegt: Wacht u voor dat kwaad. Het is geen zaak van uw vergaderwellustigheid, maar Ik vergader naar het programma van eeuwigheid gemaakt. Daarom, afgesneden zij elke gedachte aan uzelf; afgesneden blijve aan den énen kant elk sectarisme; afgesneden blijve ook elke pluriformiteits-prediking, die van wat wij mensen verkeerd gedaan hebben, achteraf zou zeggen: God houdt wel van variatie. Aan den énen kant moet ik waarderen de oneindige variatie, die God liefgehad heeft. Hij vergadert Delfshavenaars en Haarlemmers, kleurlingen en blanken en Hij wil niet hebben, dat, gelijk door de zonde gebeurd is, de onderscheiding tussen mensen, oorzaak van scheiding wordt. De mensen zeggen: het onderscheid wordt antithese; daarom de Joden uit Duitsland weg en de blanken tegen de negers; Italië tegen Abessinië en de rijken tegen de armen; en daarom klassenstrijd.17. Neen, zegt God: uit blanken en kleurlingen, mannen en vrouwen, koos ik voor den tijd de kerk en dus hebt ge de pluriformiteit te eren, zover ik de bontheid daarin uitdrukte, maar dat mag alleen zijn de bontheid, die de onderscheidingen tot eenheid samenkomen laat.

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Want - en dat is het tweede - indien de kerk een zaak van den tijd is, is het, omdat ze bij God bekend staat als een zaak van de eeuwigheid. De Zoon vergadert de uitverkorenen en omdat ik uitverkoren ben, kan ik zeggen: ik ben een levend lid en zal dat blijven. Dit laatste was onmogelijk als de kerk niet was uitverkoren van eeuwigheid of te verklaren was uit den tijd. Uit den tijd is de religieuze aanleg. Als nu de kerk alleen uit aanleg te verklaren was en dus te verklaren uit wat de schepping zelf aanwezig is, zou ik wel kunnen zeggen: ik zal in de kerk blijven tot het eind der dagen toe, maar ik zou nooit kunnen zeggen: ik blijf in eeuwigheid lid van de kerk, want alles wat schepping is gaat voorbij in den jongsten dag. En dat voorbijgaan mag dan wel geen vernietiging zijn, geen afbreking, maar het is toch een totale verandering. Dus wanneer ik het hebben moest van mijn godsdienstigen aanleg, kon ik alleen maar zeggen: de kerk is een zaak van den tijd, maar ze gaat niet verder; en als ze zo inderdaad een kwestie van tijd was, was de kerk mijn huis en uw huis. Gelijk wij een vriendschapsclub hebben om onze vriendschapsdrift uit te leven, zo zou de kerk een voldoen zijn aan de natuurlijke behoefte, als ze er alleen was om aan mijn godsdienstigen aanleg te voldoen. Inderdaad zeggen een massa mensen het zo. De één gaat waar het hem goed lijkt en de ander gaat waar hij zin in heeft. Ieder streelt dan zichzelf en dient zichzelf in de kerk. De kerk, zo gezien, is een kwestie van tijd. Maar nu God zegt: welneen, zij is een zaak van tijd en van alle tijden, maar gedacht vóór tijd en eeuwigheid, er is uitverkiezing, nu is de kerk geen zaak van den tijd, maar een zaak van vóór en na en buiten den tijd, een zaak van de eeuwigheid. Ze is Gods huis, waarin Hij vergadert, die Hij geroepen heeft. Wie Hij riep, ken ik niet. Ik kan Hem geloven en alleen maar geloven, en dat een ander of dat ik er bij hoor kan ik alleen maar geloven. Eén ding weet ik: ik mag niet voortbouwen in mijn kerk-bestuur of inrichting alsof het iets van mij is, maar ik moet den kerk-grondslag leggen naar Zijn bestek.

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Ik noemde ook de onderscheiding van organisme en instituut. Sommigen zeggen: wij onderscheiden twee terreinen, van gemene gratie en van particuliere gratie, en nu is er ook een terrein voor de kerk als organisme en ook voor de kerk als instituut. Het ongeluk is dit, dat men, weer de dingen uit elkaar halend, sommige dingen toepast op de kerk als organisme waarvan de andere kerk, het instituut, af moet blijven en omgekeerd. Men scheidde de kerken en functies en gaf opdrachten te vervullen, de één met den rug naar de ander toe. Neen, zegt de Schrift. De kerk als organisme bestaat wel; gelijk mijn lichaam, voordat het geboren was, zich heeft gevormd door de kracht, die het maakte tot dit lichaam, zo is het ook met de kerk. Ze is inderdaad niet altijd zo ver, dat ze instituut heten kan, behoorlijke ambten heeft. Alleen maar, scheidt de dingen nooit. Want de kerk als organisme bestaat geen ogenblik op vaste wijze; gelijk mijn lichaam, wanneer het één ogenblik ophield naar de geboorte te jagen, dadelijk zou gestorven zijn en gelijk de kerk vóór zij vaste vormen aanneemt in de ambten toch dringen moet naar die ambten, zo moet ik zeggen: de kerk als organisme kan pas kerk blijven daardoor, dat zij jaagt naar het instituut. Daarom, luister nooit naar mensen, die zeggen: Dank God voor de kerk als organisme; het instituut is maar instituut, dat is maar de buitenkant. Als dat waar is, kan de één zeggen: ik heb voorkeur voor het organisme. Laat mij den lieven Jezus maar, en mijn stichtelijke ontboezemingen, maar buiten de organisatie van de kerk. Een ander kan zeggen: ik zweer bij het instituut; er moet zijn een vaste kerk met vaste plaatsen. Ik kijk niet verder dan het instituut. De één komt terecht bij de vroomheid buiten de kerk en weigert God te dienen in het institueren van de kerk, in het vaste-vorm-geven aan de kerk, en de ander kijkt zich blind op zijn instituut, de één op het Hervormde, de ander op het Gereformeerde, de derde op het Christelijke Gereformeerde, de vierde op het Doopsgezinde, en zo zweert ieder bij z'n eigen huisje en blijft binnen de vier muren, die zijn eigen muffe omgeving omsluiten. Men vergeet dan, dat Christus Jezus elken dag aan het vergaderen is, dat dus nooit de instituut-vormen af zijn en dat hij elken dag jagen moet naar de eenheid van wat Christus liefheeft en gelooft en naar de afsnijding van dat, wat Hem niet gelooft. Wie de dingen uit elkaar haalt, kan òf blijven staan bij de zogenaamde buitenkerkelijke vroomheid, die is de grootste onvroomheid, òf hij komt terecht bij het vervloekte kerkisme; maar wie weet, dat het organisme dringt naar het instituut, zal altijd zijn eigen kerk beginnen te zien als operatie-terrein om daarvan uit te gaan, maar ook steeds jagen naar de eenheid, maar ook weigeren die eenheid vals te maken door waar en vals te laten samen gaan.

Bron: K. Schilder, 7. De eenheid van Christus' lichaam, de Kerk, Predicatie 1935

 

Want artikel 32 van onze eigen belijdenis zegt nu, dat de regeerders der kerk (zij, die op een of andere manier besturen) zich in het regeren (het lasten, zeg maar: een ‘juk’ opleggen) moeten wachten, af te wijken van Christus' ordinanties voor de kerk-regering; maar die regeerders - hoe ze ook heten, kerkeraad of superintendent, (zie een vorig artikel*)), kerkeraad mét of zonder synodale besluiten of oekasen voor zich op tafel -, die regeerders, nog eens, moeten het juk van Christus, dat zachte, dat gezegende, dat ook de overtreders helpende juk van Christus opleggen, en mogen alleen dát juk opleggen. Want niet zij hebben iets op te leggen, doch Christus moet het doen door hen. Leert van Mij, want ik ben nederig, dat wil zeggen laag bij de grond, vlak naast u, en niet heel hoog op een verheven stoel. Vlak bij de grond - wat betekent dat anders, tenminste vandaag, dan dat ik een dominee, een ouderling, een diaken vlak bij me heb, en dat die man fungeert als de hand, waarmee Christus zijn juk oplegt? Welnu - als dan in artikel 32 eerst de regeerders hun taak krijgen toegewezen, dan krijgen daarna de gelovige belijders hun beurt: daarom, zo wordt er vervolgd, daarom verwerpen wij alle menselijke vonden én alle wetten, die men zou willen invoeren om God te dienen en door deze de consciëntie te binden. Wij verwerpen dus alle juk, dat niet Christus' juk is. Dat doen we - doodeenvoudig. Al zijn die regeerders ook onze beste vriendjes, of - al zijn ze ook op bepaalde punten beter, wijzer, voorzichtiger dan wij. Wij verwerpen alle juk, dat niet van Christus is, waarmee men ons wil binden in de consciëntie en wil dwingen. ‘In wat manier het ook zij,’

 

Bron: K. Schilder, De Kerk deel 3, pag. 366, Gods kinderen 'onder het juk', juni 1950

 

Reeds herinnerden we aan een voorval, ergens in ons land. Daar waren enige mensen de kerkelijke hereniging van 1944 ontlopen, om met de onveranderde kerk-verscheurderswetten zich content te verklaren, en dus met de verscheurders zelf mee te gaan doen. Ze toonden tot die tijd toe zich heel erg boos, als iemand in de herenigde kerk het scheurtrekkend gezelschap als instituut een ‘valse kerk’ noemde. Ze vonden dat een allerongelukkigst extremisten-schema: wit-zwart. Dat betekende dus: men moest eigenlijk van geen kerkelijk instituut zeggen: valse kerk. ‘De ware’ en de ‘valse kerk’, die kon men niet meer zo gemakkelijk scherp onderscheiden. Wel stond in de belijdenis, dat die twee gemakkelijk te onderscheiden waren, maar zó iets kon een problementorsend mens van de 20e eeuw niet meer nazeggen in deze eeuw. En dus: helemaal geen wit-zwart-schema meer; liever pluriformiteit!

 

Bron: K. Schilder, De Kerk deel 3, pag. 366, Gods kinderen 'onder het juk', juni 1950

Want ‘juk’ is een confessioneel bepaald begrip. De kerk blijkt dáárom wáre kerk te zijn, dat ze slechts onder één juk is. Het enige, en dan noodzakelijke ‘juk’ is het ‘juk’ van Christus. Een ander ‘juk’ kan wel worden ‘opgelegd’, maar de gelovigen mógen het niet accepteren. Want ze móeten het, als vrijgemaakten van Christus, door een eigen vrije daad van zich afwerpen. Wie de kerk brengt onder een juk, dat niet van Christus is, die probeert haar vals te maken en wie door een (van Godswege steeds) verbóden onderwerping aan zúlk een juk hen laat begaan, en ‘zijn hals buigt’ onder dát juk, die maakt nu ook zélf de kerk tot valse kerk. Daar kunnen dan wel gelovigen zijn en bij het begin zullen het er allicht duizenden zijn. Maar die gelovigen zijn geen arme stumpers, die men beklagen moet, doch OP DIT PUNT, en dat is ditmaal van kardinale betekenis juist voor de kerkvergadering, aanváárden ze wat ze MOETEN áfwijzen; ze móeten het, naar hun eigen belijdenis.

 

Bron: K. Schilder, De Kerk deel 3, pag. 366, Gods kinderen 'onder het juk', juni 1950

En dan moet men de mensen niet een individueel examentje afnemen over de ware of valse kerk. Zou men moeten examen nemen naar de mening van dr. H.H. Kuyper uit de dagen na 1886, toen de Herv. kerk bij hem een valse kerk heette, en de Chr. Geref. kerk een scheurkerk, óf naar diens artikelen van later tijd, toen hij veranderd was?*) Zou men hen moeten examineren in de leringen van prof. v.d. Schuit van vroeger, toen hij wel wist waar de ware kerk was, of van tegenwoordig, nu hij de Westminster Confessie aanhaalt op een wijze, die ik niet helemaal begrijp? Laat men van de mensen vragen te belijden wat in de Confessie staat, want dát is ons formulier van enigheid. En vóór de kwestie van de nadere concretisering wordt afgehandeld, eerst eens vragen, wat er nu eigenlijk precies met de ware en de valse vergadering bedoeld wordt. Dan komen ze voorlopig al handen te kort voor het vele werk. Want dan is elke vergadering, die aan de kenmerken der valse kerk beantwoordt, voor mij te accepteren als valse kerk, en wordt meteen de onbarmhartige conclusie, dat, indien ik zelf de vergaderingsnormen verander, ikzelf een vals vergaderaar geworden ben.

*) Vgl. het artikel Dr. H.H. Kuypers titelatuur uit 1894 inzake ware en scheurkerk in Verzamelde Werken, De Kerk II, bl. 355-358.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, IV

En als dan een ambtsdrager verklaart, dat hij van plan is, ‘meerderen wakker te maken voor overgang’ naar een ándere kerk, al was het er ook een met de knapste theologen en theologoumena, dan is hij natuurlijk niet in staat, zijn ambt te bedienen naar de eis. Hij heeft wel het volste recht, om ‘langs de kerkelijke weg’ te pleiten voor het ordelijk zoeken van gemeenschap met allen, die op de zelfde belijdenisbodem staan. Hij heeft ook het recht, te vragen, dat daar spoed mee gemaakt wordt, en dat het leggen van gemeenschapsbanden gebeuren zal, indien BEIDE partijen op rechte wijze reageren op wat in dezen Gods gebod is. Maar hij heeft geen recht, bijvoorbeeld van de doopouders te helpen vragen, dat zij de leer, die in de kerk ‘alhier’ geleerd, voor de leer der zaligheid houden, of van allerlei mensen, zich aan de tucht van de kerk ‘alhier’ te onderwerpen, met behoud natuurlijk van de artikelen der confessie en der K.O., die daaraan de Schriftuurlijke grenzen stellen, en dan meteen aan dezelfde mensen te zeggen: op mijn eentje kom ik u al vast vertellen, dat ge eigenlijk ‘alhier’ niet wezen moet, en de tucht van de kerk ‘alhier’ zo gauw mogelijk van u afschuiven moet. Hij moet de kudde vergaderen, en de vergaderde kudde helpen verenigen met een andere kudde, als hij op goede grond constateren mag, dat ook die andere de wetten van de stal der schapen aanvaardt voor de stalbóuw. Maar hij moet niet luk-raak een paar individuen proberen over te hevelen; dáármee is noch de ene noch de andere kudde gebaat.

 

Zulke redeneringen miskennen alle de ernst van de zaak. We hebben vooropgeplaatst: indien WIJ de schuld zijn (door eigenwilligheid), dat een van God geboden hereniging niet doorgaat, dan zullen WIJ het oordeel dragen. Precies hetzelfde geldt bijvoorbeeld van de Chr. Geref. Kerken. Wie dus meent, dat zij in dezen alles allang goed doen, en alleen goed doen, die moet erheen, vrijmaking of geen vrijmaking. Maar wie nog niet weet, OF zij in dezen willen luisteren naar het gebod van God - met terzijdestelling van allerlei practische moeilijkheden - die mag niet bij voorbaat doen alsóf het daar OP HET PUNT VAN DE WIL OM SAMEN TE KOMEN al in orde is. Ook niet het tegendeel, natuurlijk. Maar vooruit grijpen is altijd onverstandig en ontrouw.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, IV

 

Na hetgeen we in ons nummer van 26 maart opmerkten, zal men verstaan dat ik de opvatting van die ambtsdrager, die de vrijmaking zag als een overgangsstation naar de Chr. Geref. kerk, geenszins appréciëren kan. Net zo min als ik het zou kunnen appréciëren, indien iemand in de Chr. Geref. Kerk een vrijmaking van eventueel daar opgelegde valse bindingen zou beschouwen als overgangsmaatregel, naar laat ik zeggen: de gemeente van ds. Kersten c.s. Indien onzerzijds geen contact zou aangegaan zijn met de Chr. Geref. Kerken, dan zou de vraag gesteld kunnen zijn, of wij wel verstaan wat onze roeping is. Maar een vrijmaking van bepaalde zónden is nimmer een overgangsmaatregel naar degenen die ons in theologisch opzicht misschien voorkomen het naast te liggen. Want een vrijmaking is geen zaak van een theologisch theoretisch inzicht, doch van practische erkenning van Gods normen in de VERGADERING VAN DE KERK.

 

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, IV

 

Het was daarbij allerminst onze bedoeling, een willekeurig aantal jaren te wachten, eer we contact openen zouden met de Chr. Geref. kerken. Doch wij wilden de roeping vasthouden, om dit aanstonds te doen, zodra het langs de kerkelijke weg mogelijk was. Daarom heeft ook onze eerste synode dadelijk het onderwerp aangesneden en is het officieel opnemen van contact begonnen. Elke andere houding ware revolutionair geweest; een onbroederlijke houding tegenover degenen met wie we jaren lang hadden samengeleefd, en een grote schade aan de zaak van Gods volk in dit land. Indien toch de Christeljke Gereformeerden evenals wij begerig zijn naar een ‘oecumenisch’ samenleven op goede basis, en we lezen nog al eens dienaangaande iets in ‘De Wekker’, dan moeten zij het toejuichen, dat wij ons best hebben gedaan, om de geestelijke schade, die de hiërarchie, en haar begeleidend verschijnsel: de grote onverschilligheid voor de zaken der kerk, meebrengen, zoveel mogelijk te breken en zovelen als wij er bereiken kónden, in oorlogstijd, op te roepen tot een samenleving op de basis der drie formulieren en der kerkenordening.

 

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, III

 

Wij zijn dan ook blij, dat in die dagen, waarin we onderscheidene voorgangers in de Chr. Geref. Kerken ontmoet hebben, vrijwel allen zonder enige terughoudendheid hun blijdschap erover hebben uitgesproken, dat we ons niet hebben laten verleiden, om hier en daar als enkele verspreide daklozen onderdak te zoeken bij een chr. geref. kerk ergens, doch eerst verzamelen te blazen.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, III

 

Indien wij druppelsgewijs hadden aangebeld bij een chr. geref. kerkeraad, dan was primo de vraag, of men ons zou willen accepteren, omdat men terecht van ons vragen mocht: wie zijt ge?; en secundo de vraag, of wij met hen mochten gaan saamleven, zonder eerst te vragen: wie zijt gij? En dan was tertio de vrijmaking uitgelopen op een klein getalletje mensen hier wat en daar wat; en dan waren de gereformeerde kerken door ons losgelaten; en dan zou er een gejuich - in alle stilte natuurlijk - zijn opgegaan bij hen, die ons hadden weggezonden, en die de schapen der kudde met de kerkeraden hadden geknecht en getyranniseerd. Wij moeten eerst diegenen onder hen, die nog iets wisten van ‘waken’, en van individuele verantwoordelijkheid voor hun mishandelde broeders en voor hun eigen kerkelijke plaats, alsmede voor die van hun kinderen, oproepen om zich vrij te maken door in eigen gedrag te blijven bij de bestaande orde, en alzo de gereformeerde kerken voort te zetten en met de gewelddadige deformatie niet mee te gaan. En als die actie voorbij was, dán zou het punt, dat al lang op het program stond, weer voor de aandacht moeten komen: hoe te verkeren met de Christelijke Gereformeerde Kerken?

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, III

 

Voorop geplaatst blijve, (zie vorig artikel), dat wij ons wél verplicht rekenen, zó te werken, dat het nimmer onze schuld wordt, indien hereniging van wat bijeen hoort, zou uitblijven. Maar als het op een kerkelijke crisis aankomt, en die crisis voltrekt zich in een bepaald instituut, zoals ditmaal in de Gereformeerde Kerken van 1944, dan is het voor elke man, die afwijzen móet de hem hiërarchisch opgelegde dwang om te beloven, wat de trouw aan het ondertekeningsformulier, aan de confessie en aan de aangenomen Kerkenorde hem VERBIEDT te beloven, en die daarom wordt uitgeworpen wegens beweerde ongehoorzaamheid, terwijl hij toch alleen maar gehoorzaam is, een plicht, de oproep tot reformatie allereerst te doen uitgaan tot wie met hem hebben saamgeleefd. Vandaar de Haagse vergadering van augustus 1944; vandaar de latere Getuigenissen van onze kerkeraden en andere kerkelijke vergaderingen.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, III

 

Wat in het verhaal van de loop der gebeurtenissen, zoals de kerkvisitatoren het geven, enigszins teleurstellend werkt, is dit, dat de conclusie van ds. Hoff (dat namelijk ‘1892’ geen struikelblok mocht zijn voor een eventuele vereniging) niet alleen ZIJN conclusie was, doch ook de ‘van dien avond’. Dat zal wel moeten betekenen, dat de saamgekomenen, dus ook de leden van de chr. geref. kerken van Kornhorn en Lutjegast, het daarover eens waren met elkaar. Niet dit is het teleurstellende, natuurlijk, maar het ándere feit, dat ondanks de afspraak, dat men de besprekingen later zou vervolgen, en dán op uitnodiging van de chr. geref. kerk van Lutjegast, deze kerkeraad sinds dien niet meer van zich liet horen. Wij wijzen hierop, omdat het de goede wil om door te praten liet zien als zeker aanwezig bij de gereformeerde partij, maar niet als aanwijsbaar-bij-de-voortduur bij de anderen. Wij weten natuurlijk niets van de oorzaken of redenen, waarom die nadere samenspreking weg bleef, en een toegezegde uitnodiging niet kwam, maar het verhaal geeft iets meer reliëf aan de actie, die daarna kwam, en die reeds min of meer vooruitliep op besprekingen, die nog naar onderlinge goede afspraak komen zouden, en waarin met goede wil de situatietekening had kunnen worden voortgezet in eendracht, en met de wil, om alle bedenkingen te verstaan en te beantwoorden.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, III

 

Zodra Gods Geest ergens een bekering werkt, zijn trouwens automatisch alle bestaande kerkinstituten ‘in de crisis gebracht’. Want de kerk wórdt dagelijks vergaderd door Christus (in onvoltooid tegenwoordige tijd); alleen dwazen zien in deze volzin, die letterlijk in de Catechismus staat, een zeker barthianisme of een ‘actualiteits’-beginsel; zulke nonsens staat alleen maar in bepaalde dissertaties van de theol. faculteit der V.U. En ómdat God in Christus de kerk vergadert, en buiten Zijn congregatie geen zaligheid is, daarom moet iedere kerk elk ogenblik bereid zijn, bij verandering van Geestesgetij ‘grenscorrecties’ aan te brengen. Zodra ergens gelovigen zich bereid tonen, of opnieuw bereid tonen, te leven, of weer te gáán leven, naar de in de Schrift daarvoor gestelde regelen, geregistreerd in belijdenis en kerkenordening, hebben allen, die zich als op de Schrift naar de confessie gegronde kerkgemeenschap beschouwen, de plicht, na te gaan of ze met dezulken niet behoren saam te leven in kerkelijke zin. Want ‘ónze’ op langere of kortere termijn planmatige daad van kerkvergadering behoort naar ons beste weten te beantwoorden aan de góddelijke congregatie, waarbuiten ‘geen zaligheid is’. Dat betekent dus: als wij met de Christelijke Gereformeerden vanwege eigenwillige redenen niet WILLEN samenkomen, verbeuren wij het recht, onze congregatie aan te dienen als een van God in en voor ons land met zijn zegen bekroonde en met zijn waarmerk voorziene. En als de Christelijke Gereformeerden om gelijksoortige eigenwillige redenen datzelfde zouden doen in omgekeerde richting, vallen zij onder hetzelfde oordeel. Afgezien van de vraag, hoe de éne groep over het verleden van de andere denkt (in haar leden), moet DIT VAN TE VÓREN voor beide groepen vaststaan als een paal boven water. En als we soms allebei uit vadsigheid, of gemakzucht, of uit mensenvrees, of om ‘liggings-verschillen’, of opleidingsschoolkwesties dezelfde negatieve houding zouden aannemen, dan zouden we ook allebei onze stroom, die we elk voor zich als stroom des Geestes aanmerken, zien verzanden. Van de synodocratische groep WETEN we wat ze thans willen: zij volharden in haar kwaad, en de ‘herenigingsvoorstellen’ (à la Amersfoort) bestendigen het met onbeschaamde blikken. Maar de Christelijke Gereformeerden hebben van 1892 zó weinig meer overgehouden (als wij namelijk het problemencomplex van '92 in aanmerking nemen), dat de vraag om een oriënterende informatie zin heeft, en niet achterwege mág blijven. Over de uitzichten spreken we hierna wel.

Voorop zij nu gesteld, dat de kerk een vergadering van gelovigen is, en niet van geleerden in dogmatisch, kerkrechtelijk, of kerkhistorisch opzicht. De kwestie, wat in 1892 gebeurd is mag ons alleen regarderen (in dit kader) inzóverre, als de vraag rijst, op welke basis en met welke kerkrechtelijke en leerstellige afspraken we eventueel samen weer in zee zouden gaan.

Volgende week hopen we verder te gaan.

Bron: K. Schilder, De Kerk, deel 3, Naar aanleiding van Grootegast, II

 

Gedurende enkele decennia heeft Schilder concreet en in de actualiteit van zijn tijd het kerkelijk vraagstuk aan de orde gesteld. Aansluiting vond hij met name bij Calvijn, terwijl hij voortbouwde op Kuyper en Bavinck, die hij deels achter zich liet en deels oversteeg. Hij wist zich verbonden met theologen van de oude A-richting zoals G. Doekes, T. Bos en F.M. ten Hoor. Zo heeft hij zijn normatief-dynamische en historisch-dynamische ecclesiologie ontwikkeld en een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de gereformeerde kerkleer.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

De dynamiek van congregatio en coetus en de tweezijdigheid van belofte en eis in het verbond zijn gebonden aan de van boven gegeven openbaring en betrokken op de geschiedenis. Want God komt in Christus deze wereld binnen en maakt hier op aarde geschiedenis. Vanuit de hemel vergadert Christus zijn kerk. Op aarde vergaderen de gelovigen met Christus mee. In deze dynamiek van de geschiedenis krijgt de kerk gestalte. In Schilders kerkleer vult het dynamische het historische en het historische het dynamische. Het Woord van God spreekt op een actuele, concrete wijze over de kerk in de voortgang van de geschiedenis. Zij het onder eschatologisch voorbehoud! Want God is met hemel en aarde, en met zijn kerk, onderweg naar zijn nieuwe wereld.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

In samenhang met deze beide elementen in zijn dynamisch kerkbegrip heeft Schilder het verbond als constitutieve factor voor de kerk voortdurend voor de aandacht geplaatst. Kerk-zijn is kerk-zijn in concrete verbondsgehoorzaamheid. God is het, die het verbond stelt. Maar in het verbond roept God zijn volk op tot zijn dienst. Zo is de mens in het verbond Gods medearbeider. Op deze wijze bepaalt het verbond Schilders denken over de kerk.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Deze opvattingen over het wezen van de kerk zorgden bij Schilder voor een dynamisch kerkbegrip. De kerk is een zaak van de voortdurende, eeuwenlange, presente activiteit van de Zoon van God en van de gelovigen, die in het bouwen van de kerk hun taak en verantwoordelijkheid krijgen toegewezen. Voorop gaat de activiteit van Christus: de kerk is zaak van zijn kerkvergaderend werk. Maar er wordt ook een sterk accent gezet op de concrete verantwoordelijkheid van ieder kerklid: de kerk is mede zaak van de gelovige gehoorzaamheid. ‘Deze vergadering, zegt de belijdenis, is geen zaak die ik naar believen aankijken kan en ook wel een tijd lang kan laten lopen. Ik kan de kerk niet bekijken op een afstand. Ik was er in geboren, eer ik het wist; ze doopten me, eer ik verstand had; ik ben lid van haar, eer ik het weet. Ik blijf het mijn leven lang en ik zal eeuwig volhouden van die kerk lid te blijven, levend lid. Mijn begeren is er in, mijn verstand is er in, mijn smaak is er in. Ik ben er in door hoog gezag en ga mee in alle eeuwigheid. Hier is elkeen, die zo spreekt, geen toeschouwer in de zaal, maar speler op het toneel, en het toneel met zijn spel beweegt de hele zaal, en al wat in de wereld is hangt samen met het feit der vergadering van de kerk.’76. Dit dynamische spreken inzake de kerk vormt het hart van Schilders kerkleer.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

In samenhang hiermee moet ook gewezen worden op de nadruk die Schilder legt op de tweezijdigheid van het verbond: het verbond is
naar de kant van de mens toe de gehoorzaamheid. Weliswaar wordt beleden dat Christus door zijn Geest en Woord zich een kerk bijeen vergadert, maar het kerklid ‘is bij de kerk geïnteresseerd op leven en dood. Hij is levend lidmaat en zal dat eeuwig blijven - afgelopen, uit. Wat hier gebeurt, gaat hem persoonlijk aan. Hij is er in opgenomen en kan nooit toeschouwer zijn op het toneel, die uit de zaal toekijkt, neen, het is een stroom, die hem meeneemt, een optocht, die hem meesleurt. Bij die grote verzameling, die vandaag aan de gang is, bij dat drama, dat vandaag gebeurt, is hij betrokken en hij gaat mee voor tijd en eeuwigheid.'

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Een sterke dogmatische greep, die in zijn positieve kracht verstrekkende gevolgen heeft gehad, deed hij door het accent te leggen op de
termen congregatio en coetus: Christus' activiteit in de congregatio, de menselijke verantwoordelijkheid in de coetus. Christus vergadert, beschermt en onderhoudt zijn kerk in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Maar Hij doet dat door zijn Geest en Woord, in de eenheid van het ware geloof. Dat wil zeggen, de gelovigen zijn geen toeschouwers, de kerk gaat hen persoonlijk aan, zij dragen medeverantwoordelijkheid.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

‘De stem des Heeren zegt mij: Ik maak de kerk. Gelooft gij dat? En maar een antwoord past: Ja Heere, ik geloof, dat Gij bezig zijt de kerk te vergaderen. Ik zie het niet, ik begrijp het niet, ik begrijp nooit uw daden, ook deze niet, maar op uw Woord heb ik U geloofd. De kerk is geloofsstuk. Wij zijn vaak geneigd te zeggen: och, kerken zijn er vele, ook religies zijn er vele, vergelijk ze maar, haal de beste er uit, comparatief te werk gaande, en dan vindt ge, waar ge wezen moet. Maar als deze kerk bijeenkomt onder Christus' eigen macht door zijn Geest en Woord, kan geen mens vergelijken. Ik kan eenvoudig zeggen: het is, zoals het hier gezegd is en door het geloof kan ik het zien, door het geloof kan ik ook de kerk vandaag zien.’

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Begin- en eindpunt van Schilders kerkleer is geweest, dat ook de kerk een geloofsstuk is. Kerk-zijn kan uitsluitend worden afgeleid uit het Woord van God. Inzake de kerk dient Gods openbaring het eerste en het laatste woord te hebben. De kerk is een zaak van het geloof in het geopenbaarde Woord. Deze gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift staat bij Schilder voorop. In zijn preek over de kerk aan de hand van Zondag 21 zegt hij: ‘Ik kan over de kerk alleen een wijs woord spreken, als Hij, die aan ‘t vergaderen is, mij uit zijn mond zegt, wat dat ding daar worden moet. Ik moet het Woord van Christus hebben. Pas daarop kan mijn kerk-begrip worden opgebouwd en ik ben dan verplicht, dat toe te passen in al zijn
scherpte.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Zo zegt hij: ‘Er is tenslotte maar een kerk. Nooit een kerk onder de kerken. En daar er maar een kerk bestaat in de ganse wereld, door een Geest beheerst, kan ik nooit die kerk met een andere vergelijken. Ik moet haar bestaan aanvaarden door het geloof en ik heb nooit een andere grond
om haar te aanvaarden dan het geloof. Als er kerken waren met religies kan ik gaan vergelijken, maar daar er maar een kerk is, kan ik nooit vergelijken en nooit het kerk-we-zen afleiden uit vergelijkende wijsheid.’

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Op de grafsteen van Schilder staan, overeenkomstig zijn eigen wens, de woorden uit Johannes 17:20 ‘opdat zij allen een zijn’. De eenheid van de kerk aan de orde stellen is voor Schilder zijn belangrijkste levenstaak geweest. Want het gebed van Christus: ‘opdat zij allen een zijn’, heeft hij als een gebod voor de gelovigen verstaan. Met deze opdracht van Christus is hij zijn leven lang bezig geweest. Daartoe heeft hij niets anders willen doen dan het geloofsartikel inzake de kerk: ‘ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen’, gehoorzaam aan het Woord van God te lezen.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

En het bewaren en najagen van de eenheid van de zichtbare kerk zijn bepalend voor Schilders dynamisch kerkbegrip.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

In de Schrift en in de belijdenisgeschriften van de kerk leest Schilder af, dat de kerk zowel congregatio als coetus is. Voorop gaat het kerkvergaderend werk van Christus. Menselijke criteria zijn daarbij niet doorslaggevend, evenmin als vaststaande kerkinstituten dat zijn. Nauw sluit Schilder aan bij het onderricht van Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus en de Artikelen 27 tot en met 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar daarna en daarnaast is de kerk ook coetus: de gelovigen komen samen, in gehoorzaamheid achter Christus aan. De normen voor dit in geloofsgehoorzaamheid achter Christus mee-vergaderen worden slechts uit de Schrift gekend. Het verbond wordt tot de constitutieve factor voor het kerk-zijn.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

De kerk is een zaak van de eeuwigheid, van Gods verkiezing. Juist omdat voor Schilder deze gedachte van zo groot gewicht is, keert
hij zich tegen elke vorm van sectarisme en tegen elk spreken over de pluriformiteit van de kerk. Want het eerste neemt het subjectieve gevoelen tot grondslag van het kerkzijn, het tweede meent met een pluriformiteitsleer - er zijn nu eenmaal vele kerken wegens de variatie van het menselijk geslacht en de ontwikkeling van de geschiedenis - de menselijke zonde goed te kunnen praten. Maar wie begint bij Gods uitverkiezing, die houdt maar een maatstaf over: het Woord.

 

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

Onjuist is ook de onderscheiding van de kerk als organisme en als instituut. Want al wat organisch groeit, zoekt de vaste vorm. De kerk begint weliswaar als een organisme, maar zoekt direct de vorm van het instituut. Schilder laat hierbij een waarschuwing naar twee kanten horen: in de richting van de subjectieve vroomheid, die de kerk van weinig waarde acht; en in de richting van het kerkisme, waarbij het kerk-zijn tot institutionalisme wordt. Beide vergeten, aldus Schilder, het actuele, kerkvergaderende werk van Christus.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

De kerk is een zaak van de tijd en van alle tijden. Zij beweegt zich tussen Genesis 3 en Openbaring 21. Daarom is de kerk nog niet af. Christus
vergadert de kerk van het begin van de wereld tot het einde. Voor Schilder vloeit daaruit voort, dat er over de kerk alleen maar gesproken kan worden op grond van hetgeen Christus in het geopenbaarde Woord zegt. Niet uit hetgeen wordt waargenomen, alleen vanuit het Woord van Christus kan en mag er over de kerk gesproken worden. Schilder waarschuwt er voor, dat men, op grond van hetgeen voor ogen is, geen onderscheidingen op de kerk mag gaan toepassen, die niet naar het Woord zijn.

Bron: K. Schilder, Een schrift-geleerde aan het Woord. Deel 2 (ed. J.J.C. Dee). Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1996

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.htm

 

Op de vraag waarom wij verplicht zijn tot het doen van goede werken, moet in de eerste plaats het antwoord luiden dat dat het doel van de dingen is. Christus heeft alles gedaan ter verlossing, opdat onze dankbaarheid daarvoor bij ons naar buiten zou komen, zichtbaar en hoorbaar zou worden. Christus' verlossingswerk als herschepping is een terugbrengen van de wereld, die verloren was, naar het begin. Zijn herscheppingswerk bedoelt het oude, dat stuk was, naar het begin terug te leiden. En zo staat het ook met onze goede werken: het doen van goede werken was het doel van de schepping van God en blijft dat ook bij de her-

[p. 72]

schepping. God heeft de wereld geschapen met het doel, dat Hij aan het eind der dagen de verschuldigde dankbaarheid van de mens zou ontvangen. Dat is de grond van de schepping, het doel van de wereld. Het dienen van God is dus zeer algemeen en zeer menselijk. De plicht tot dankbaarheid is er reeds vanaf Adam; het is een oerplicht. God dienen en Hem danken voor zijn Vaderschap in de herschepping, door Christus de volkomen Zaligmaker, leidt dus altijd terug naar het begin.

Bron: Een Schriftgeleerde aan het Woord - Deel 2 - editeur: JJC Dee

Link: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/schi008schr05_01_0010.php

 

Daarom is het geboden afstand te nemen van een verkeerde beeldvorming van Schilders theologie. In de jaren dertig werd hij door de hervormde theoloog O. Noordmans getekend als ‘heiligheidsfanaticus’. In de jaren negentig wordt hij ten tonele gevoerd als radicalist en normatief idealist. Hij is dat niet geweest. Wel is hij de verkondiger geweest van het indrukwekkende en nimmer vrijblijvende Woord van God. Zijn eerbied voor God en voor zijn Woord deed hem spreken over het voorrecht van de nieuwe gehoorzaamheid in het mensenleven. Schilder heeft verstaan, dat met het leven door het geloof in Christus het leven in gehoorzaamheid aan Christus gegeven is. Ieder die iets van Schilder gelezen heeft, zal inzien dat dit niets heeft uit te staan met radicalisme, wetticisme of normatief idealisme. Het is de dankbaarheid voor de ontvangen genade, het is het verstaan van de samenhang - hoe onomkeerbaar de volgorde ook is! - van belofte en eis.

Bron: Een Schriftgeleerde aan het Woord - Deel 2 - editeur: JJC Dee

Link: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/schi008schr05_01_0010.php

 


 

Maar het is een groot misverstand en een ernstige vertekening, wanneer gesteld wordt dat bij Schilder de rechtvaardiging alleen verschijnt in het kleed van de heiliging, dat wil zeggen dat Schilder de genade zou wegdrukken achter de wet. Helemaal naar de Schrift schrijft Schilder over de rechtvaardigmaking als zaak van genade alleen: ‘Ik ben nu gerechtvaardigd, maar: daar is voor betaald! Christus heeft de hele prijs betaald; moet ik nu zeggen: dat is genade? Ja! Dat ik het adres van die rechtvaardiging mocht worden, dat is genade, die rust op volkomen recht en daarom ook onveranderlijk is. Vandaar dat aan de ene kant volkomen rechtvaardigheid en aan de andere kant volkomen genade

[p. 70]

is. Hier is vastheid door de verkiezing. Nu het vast ligt in de Raad des Vredes, dat ik een vrijgekochte ben, is God voor zichzelf gehouden om het ook te geven.’80. En in onmiddellijke samenhang daarmee stelt Schilder, dat dit geloof de mens opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuw mens maakt. Want het geloof staat niet stil; er komen goede werken. Maar, zegt Schilder, dat is uit genade. Zowel bij de rechtvaardigmaking als bij de heiligmaking onderstreept Schilder krachtig: het is en blijft alleen genade!

Bron: Een Schriftgeleerde aan het Woord - Deel 2 - editeur: JJC Dee

Link: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/schi008schr05_01_0010.php

 


 

We kunnen niet ontkennen dat de polemiek in de hier gepubliceerde lezingen en artikelen van Schilder een grote rol speelt. Hij sprak en schreef ‘heet van de naald’. Bij hem blijkt een diepe verontwaardiging te hebben bestaan over wat hij zag als het ‘schipperen’ van synodes voor en tijdens de Vrijmaking. Met name toonde hij zich gekwetst, omdat volgens hem met twee maten werd gemeten. Wat in hem en anderen niet werd verdragen, zou nadien wel zijn toegestaan. Vandaar dat hij sprak over een ‘(zedelijke) crisis’ in de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’.3.

Tegelijk dienen we te bedenken dat deze polemiek niet slechts veroorzaakt werd door het handelen van de synodes dat tot Vrijmaking dwong. Ook vóór de Tweede Wereldoorlog was polemiek bij Schilder geen vreemd verschijnsel. Vaak wordt van hem de uitspraak geciteerd ‘Wie niet polemiseert is niet bekeerd’. Schilder zelf heeft het iets anders geformuleerd: ‘Want naar mijn stellige meening bekeert zich heden niet, wie niet polemiseert’.4. Heden. Dat betrof in 1935 de verhouding tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Nu de Gereformeerde Kerken hem hadden geschorst en afgezet werd dit ‘heden’ voor Schilder reden tot nieuwe polemiek.

We zeiden al dat ook vóór de Tweede Wereldoorlog er veel door Schilder werd gepolemiseerd tegen wat hij zag als de voortgaande ondermijning van de Gereformeerde Kerken en het gereformeerde leven. Zijn brede oriëntatie in allerlei filosofische, theologische en literaire stromingen speelde daarin een duidelijke rol. Tegelijk werd door velen erkend dat hij in zijn persoonlijke omgang de vriendelijkheid, behulpzaamheid en eenvoud zelf was. ‘Dan is hij

[p. 13]

een lam. Nauwelijks klautert hij in de pen, of hij wordt een leeuw’.5. Daarom werd hij eens getypeerd als ‘de-polemicus-met-het-tere-hart’.6.

 

Dr. W.G. de Vries

Bron:W.G. de Vries - Inleiding verzamelde werken K. Schilder

Link: http://dbnl.nl/tekst/schi008verz04_01/schi008verz04_01_0002.php

 


 

(...)

En wat het tweede aangaat: het historisch-gereformeerde Christendom heeft nog
nooit geleerd, dat het zijn belijder aangenaam maakt bij de menschen. Het spreekt
het vlak omgekeerde. Zoolang het Christendom openbarings-religie zijn wil, houdt
het tevens vast, dat het verzet moet wakker roepen. Het openbarings-begrip is bij
Paulus, bij Calvijn, heel wat anders dan bij Jood en Mohammedaan, gelijk Lessings
Nathan hen meent te zien voor één rechtbank, twistend met de anderen in eenerlei
argumentatie. Lessing zegt: als over 1000 jaar uw geloof u aangenaam heeft gemaakt
bij de menschen, dan hebt gij het pleit gewonnen. Een Calvinist zegt: dan heb ik
het juist verloren. Want openbaring - lees o.m. I Cor. 2 - is niet uit, en dus ook niet
naar den mensch; de ‘natuurlijke’, psychische, mensch aanvaardt niet de dingen,
die ‘des Geestes Gods zijn’; hij kàn ze ook niet aanvaarden, want geen oog
(natuuronderzoek) heeft gezien, geen oor (historie) gehoord, geen hart (filosofie)
bedacht, wat God bereid heeft voor Zijn liefhebbers (vs. 14 en vs. 9). Paulus, de
Christen-prediker, is zich bewust, met een leer voor het front te treden, die, buiten
geloof om, dwaasheid heeten moet. Juist het openbarings-Christendom ontketent
den strijd; het verdeelt, zelfs de gezinnen, want Jezus brengt niet den vrede, maar
het zwaard. Aan het consequente geloof worden de geesten getoetst, worden ze
openbaar en gaan uiteen. De antithese, die verscherpt wordt (Openb. 22:11), dàt
is het laatste woord, als de Bijbel spreekt zijn slotrede in een tijd, toen het
Christendom alleen stond voor de vierschaar der geheele wereld, in de eeuw der
vervolging, toen nog niemand er
aan dacht, of mogelijk de dragers van deze leer ook de dragers van den kostbaren
ring, van den steen der wijzen, konden zijn.......zij. ‘aller afschrapsel tot nu toe’.

Bron: K. Schilder - Om Woord en Kerk - Deel 4

http://dbnl.org/tekst/schi008omwo04_01/schi008omwo04_01.pdf

 


 

 

Het is de geest van den tijd: als misverstand eenmaal een kerk of partij gemaakt
heeft, dan respectere men dat en gebruike God als approbatie-middel. Maar dat
mag niet.

Bron: K. Schilder - De kerk - Deel 1 (Verzamelde werken afdeling III)

http://www.dbnl.org/tekst/schi008kerk03_01/schi008kerk03_01.pdf

 


 

Ik schreef niet voor de overtuigden, die weigeren nog nader te onderzoeken.
Ik schreef wel voor de velen, die eerlijk willen denken en vragen, maar die, als de bizonderheden onbekend zijn, voor de vele aanklachten van kerk tegen kerk, welke de tijd produceerde en die zonder onderzoek worden doorgegeven, zoo gemakkelijk toegankelijk zijn.
Zelf geloof ik niet, dat zulk polemische werk aanwijsbare vrucht hebben kan.
Maar tenslotte gaat het daarom ook niet. Het is al goed, de vraag te stellen aan denkende menschen, of men door naar boven gesignaleerde methode greppels te graven, de eenheid der gereformeerden mag tegenhouden; en of wij zóó lichtvaardig breuken mogen uitroepen, om te blijven gaan in het spoor der vrijwillige afzondering.
Ik weet wel, de hier besproken kwestie is maar één van de vele vraagpunten.
Maar als er in christelijk Nederland nog werk wordt overgelaten aan de gereformeerde liefde, dan zal waarschijnlijk blijken, dat óók tegen de andere telkens opduikende aanklachten minstens evenveel is in te brengen als hier tegen de beweringen van docent v.d. S. uit de geschriften van dr. Kuyper viel saam te lezen — zonder eenige moeite.
Ja, zonder eenige moeite. Want een brochure als deze is gemakkelijk te schrijven voor iedereen, die een paar boeken van dr. Kuyper heeft.
Deze polemiek mist alle verdienstelijkheid; en dat is voor wie ze schreef hun grootste verdienste: want het is zijn sterkste argument. |49|
Al zou ik me totaal vergissen: in de kerk van Christus mág men geen breuken uitroepen, waartegen men in de gauwigheid ook zelfs maar schijn-argumenten voor het oprapen heeft.
Het was geen kunst, in de greppel, die te Apeldoorn gegraven, of opengehouden werd — voor de schouw — zand te werpen. Iedereen kon dat doen.
Laat men zeggen, dat de greppel nog niet gedempt is.
Als men ginds argumenten heeft, ik zal ze graag verwerken.
Maar laat men van „breuken” alléén spreken, waar de rotsen scheuren en de aarde beeft en God de voren diep heeft getrokken.
Want de kerk moet jagen naar eenheid.
En tot het jagen naar eenheid is een eerste vereischte: de waarheid spreken; al is ze hard en verdrietig te zeggen.

 


Bron: K. Schilder over brochure uit CGK "Dr. A. Kuyper en het „Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?" - 1925

 

http://www.neocalvinisme.nl/ks/broch/ksaknc.html

En nu willen we maar eindigen.
Was het vervelend, lezer?
Ja, de strijd is vervelend.
Maar hij kan noodig zijn. En dán mág hij ons eigenlijk niet vervelen.
Ik meen, dat het hier zóó ervoor staat.
Ik weet uit ervaring, hoe diep deze en dergelijke aanklachten en beweringen ingrijpen en menig kerkelijk leven bederven, menig hart vergroven en belemmeren in de blijde erkenning van het groote werk, dat God in Nederland gedaan heeft.
Ik weet ook, dat in ons land de manie van sommigen (ik zie nu geheel af van een bepaald persoon) om te schelden, wat zij niet weten, en te lasteren wat zij niet kennen, Gods zaak in deze landen groote afbreuk doet. En een rede als van doc. v.d. S. kan den haard der onwaarheden helpen aan brandstof; al nemen wij gaarne aan, dat hij zulks allerminst bedoelt en in gemoede overtuigd is, de waarheid te dienen.


Bron: K. Schilder over brochure uit CGK "Dr. A. Kuyper en het „Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?" - 1925

 

http://www.neocalvinisme.nl/ks/broch/ksaknc.html

 

Wat men soms wèl aantreffen kan, is een antwoord van gereformeerde zijde op critiek, die van den kant der Chr. Geref. woordvoerders geuit wordt tegen de „Gereformeerde kerken in Nederland”.

En deze beantwoording kan goed zijn; want zij moet meehelpen, om de atmosfeer te zuiveren van onwaarheden en onzuivere voorstellingen. Ze zal wel eens wat pijn doen; maar indien er ooit sprake komen zal van een eenheid met menschen, die principieel weinig verschilden tot nu toe, maar die dreigen, almeer van elkaar te gaan vervreemden, dan is wel een der eerste vereischten, dat de onbeteekenende verschilpuntjes, die in het debat naar voren gebracht worden, ook tot de ware proportiën worden teruggeleid.

Meermalen wordt breed uitgemeten het verschil tusschen de gereformeerde en de christelijk-gereformeerde opvatting, en wordt den volke voorgehouden dat er een diepe kloof gaapt tusschen beiden.

Maar telkens kan men ook zien, dat bij wat rustig nadenken, de onderscheiding niet zoo groot is als men wel meende; en dat de breuk maar een waan is.

 


Bron: K. Schilder over brochure uit CGK "Dr. A. Kuyper en het „Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?" - 1925

 

http://www.neocalvinisme.nl/ks/broch/ksaknc.html

Het verbond des Heeren luistert nauw, vooral voor wie nog gelooft aan verbondswraak ‘onder den nieuwen dag’. De stroom des Geestes is in deze wereld altijd een ding van den ónvoltooid tegenwoordigen tijd; en voorzover die stroom des Geestes zijn eigen bedding graaft, is ook die bedding een met den stroom mee zich steeds weer nieuw-vormend ding; inzóverre is dus ook die bédding een ding van den onvoltooid tegenwoordigen tijd. Wie nu zich inbeeldt, dat de Geest niets maalt om de bedding van het wettige kerkelijke instituut, die is gauw klaar. Zo iemand ‘rust’ dan; maar met een al te zeer op quietisme lijkende, en dus vàlse ‘rust’, zo iemand ‘rust’ dan in de overtuiging, dat de kerkelijke instituten, plus nog heel wat onkerkelijke instellingen of bewegingen of corporaties wel, naast veel steenbrokken en keien en modder, Geesteswater zullen voortstuwen naar den oceaan van 't grote kerkvergaderende wereldgericht. Hij heeft zich dan verder niet veel aan te trekken van de kerkelijke gedeeldheid. Maar hij heeft dan ook afgerekend met de gereformeerde belijdenis op dit punt. Daarentegen zal elk, die de gereformeerde belijdenis in dezen wél handhaaft, en derhalve aanvaardt, dat de Geest Gods wel degelijk zijn stroom wil laten lopen door de bedding van het wettig kerkinstituut, dan ook altijd door druk werk hebben. Hij zal bedenken, dat de stroom wel een ding is van den onvoltooid tegenwoordigen tijd, doch dat een bepaald instituut deels er een is vàn den voltooid tegenwoordigen tijd (inzoverre het nl. zich heeft vastgelegd in formulieren, practijken, kerkenordeningen). En nu zal dit zijn grote zorg moeten zijn: dat ‘zijn’ instituut (voltooid tegenwoordige tijd) toch steeds zó in den ónvoltooid tegenwoordigen tijd ‘mee geven’ moge met de kracht en de souvereiniteit van den beweeglijken stroom des Geestes, dat de bedding den stroom kan bijhouden, kan dienen, zich dagelijks weder door den stroom laat vormen, verbreden hier, verdiepen daar, vernauwen ginds.

Hier treedt die wonderlijke, beweeglijke verbondsspanning op tussen Gods werk en het menselijke. En hier treedt ook het accres van den bondszegen in, of ànders - de werking van de verbondswraak (men weet, dat die o.i. kastijdend kan zijn, maar ook oordelend; ‘verlating’ voor een tijd, dan wel voor altijd). Wie niet gespannen den stroom des Geestes bijhoudt, en in het verband der kerk Hem tot bedding dienen wil in en overeenkomstig de beweeglijkheid van den Geest zelf (zover de kerk deze weet te verifiëren naar het Woord), die beloopt de kans, dat de stroom ‘zijn’ bedding verlaat, en zich een andere uitgraaft.

K. Schilder - een deel van een beschouwing. die prof. Schilder in de 19e jrg. van De Ref. (26 mei 1939), bl. 266, rubriek Kerkelijk Leven) aan ‘de scheuring in Amerika’, die in 1924 ontstaan was in de Christian Reformed Church, wijdde.

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/schi008kerk04_01/schi008kerk04_01_0068.php

Tegenover de bedroevende pluraliteit der elkaar weersprekende kerkelijke instituten hebben we, instee van ze met of zonder pluriformiteitstheorie te vergoelijken, steeds weer te strijden. Wapen in dien strijd kan nimmer zijn het halsstarrig alleen maar wijzen op fouten van een voorgeslacht, of van een kring van tijdgenoten, die, zeg 15 jaar geleden (1939-1924), zich misgrepen hebben, naar onze mening. Want hoezeer ook het napluizen van zulke fouten soms onvermijdelijk, en, àls 't heus uit-pluizen is, ook leerzaam moge zijn, het kan toch niet volstaan voor wie den Pinkstergeest in zijn opmars naar de eenheid der kerkelijke samenleving zoveel mogelijk bijhouden en Hem daarin dienstbaar wezen wil. Indien, om maar bij Nederland te blijven, morgen aan den dag de Ned. Herv. Kerk, ook al zou haar synode geen (wetenschappelijk ingedacht) oordeel willen geven over 1834 en 1886, voor de toekomst zich zou willen vastleggen op de gereformeerde belijdenis (en dús ook kerkregering), dan zouden we dadelijk móeten samenleven. Van de nederlandsche Chr. Geref. Kerk geldt hetzelfde tegenover de Geref. Kerken. Zoals tussen de kerk en haar afzonderlijke leden van den kant der kerk zelf de band nooit ontbonden worden mag (in de tucht) vanwege een eens begane zonde, doch alleen vanwege hardnekkigheid in de zonde, zo kan ook de éne kerk nooit van de andere harerzijds gescheiden willen blijven vanwege een eens begane zonde, doch alleen vanwege hardnekkigheid in die zonde, vanwege het standvastig blijven bij wat verkeerd was, en het wederom voor eigen rekening nemen daarvan. Dit geldt te meer, omdat in het eerste geval (kerk tegenover individueel kerklid) het kerklid dezelfde bleef, terwijl in het tweede geval (kerk tegenover kerk) de groepen na 15 jaar, 100 jaar, enz. ten dele of algeheel verdwenen zijn. Van de Ned. Herv. Kerk van heden is niemand aansprakelijk voor de zonden van 1834; de vraag


[p. 414]

is slechts, of de hervormde synode thans zou willen terugkeren tot de belijdenis. Van de in een tot leertucht besluitende synode aanwezige leden zijn na enkele jaren reeds velen gestorven, emeritus geworden, niet meer gedeputeerd. Bovendien bestaat die synode niet meer. De Chr. Ref. Church van 1939 is anders dan die van 1924. En in de groep van ds Hoeksema*) is ook reeds veel gewijzigd; ten opzichte van ds Danhof*) is er een en ander veranderd; er zijn jongere predikanten, die in 1924 nog moesten beginnen met de studie, enzovoort. Laat onder de ouderen over en weer ernstige bezwaren zijn tegen in 1924 gepleegde handelingen, maar niet de handelingen van eertijds, doch de houding van heden beslist. Tot de goede houding over en weer nu behoort óók het beven voor het Schriftwoord, dat de zoon niet zal dragen de ongerechtigheid der vaderen. Met elke volgende generatie moet men om Christus' wil willen spreken, teneinde de situatie opnieuw op te nemen.

Want wij zelf zijn allen persoonlijk aansprakelijk voor de kerkelijke samenleving, ook in breder verband. Dagelijks rust op ónze schouders de roeping om te doen wat in óns vermogen ligt tot het onder één dak samenbrengen van wat op goeden grond daaronder behóórt. Immers, wij kunnen slechts dan ten overstaan der bedroevende pluraliteit der kerkinstituten voor God een goede kerkelijke consciëntie hebben, indien wij voor Hem overtuigd zijn, dat het niet aan óns ligt indien mensen, die Hem naar Zijn Woord dienen en belijden, met ons niet kerkelijk samenleven. En het kàn en zàl aan ons liggen, wanneer wij op papier vastleggen als formulier van enigheid, wat niet als zodanig behoeft te binden; of wanneer wij, overtuigd zijnde, dat in een ander instituut dit het geval geweest is, en nog is, niet in dat andere instituut de ogen willen openen voor dit gebrek, deze zonde. Een zonde, die ook ons zelf schade doet, en onzen kinderen, en den naam van Christus.

Ja, ‘buurmans’ zonde wordt tot eigen leed, als wij niet vrezen en beven. Een secte is secte; maar de kerk, die niet de secte wil oproepen tot bekeren, wordt sectarisch: zij wil niet samenbinden. Een schisma is schisma; maar wie degenen loslaat, die hij zelf schismatiek noemt, wordt zelf schismatiek: hij wil niet samenbinden.

K. Schilder - een deel van een beschouwing. die prof. Schilder in de 19e jrg. van De Ref. (26 mei 1939), bl. 266, rubriek Kerkelijk Leven) aan ‘de scheuring in Amerika’, die in 1924 ontstaan was in de Christian Reformed Church, wijdde.

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/schi008kerk04_01/schi008kerk04_01_0068.php

 

Geef ons een kerk, en bewaar ons voor de secte*)

Welnu, net zo min als ik aan dr. Ridderbos (H.N.) en zijn collega-propagandist van ‘De Strijdende Kerk’ het genoegen gun, den volke te suggereren, als waren we eigenlijk aan ons standpunt verplicht, bijvoorbeeld den heer Janse of diens medestanders uit de kerk te werpen (zie Brieven van de Reis)*), evenmin gun ik mijn medebroeders de smarten van eenzelfde verdwaalde logica.

Ik wil hier ronduit verklaren, dat ik vandaag zou huiveren, als alle (weer volkomen anders ‘gelegerde’) dominees en andere kerkleden van de synodocraten zonder radicale verandering op bepaalde punten met mij in één kerkverband leefden; want we zijn sinds 1944 hard uit elkaar gegroeid, en ze doen daarginds al dwazer, sedert God ze overgaf aan den waan, die in dat jaar hen bracht tot hun zonde; en de linksen, die eerst geen kans kregen, zetten nu machtelozen als dr. Dijk rustig aan den kant. Maar ik wil eveneens ronduit verklaren, dat ik, voorzover het aan mij lag, niemand hunner had mogen onttrekken aan onze ambtelijke verzorging, indien zij anno 1944 zo wijs geweest waren, die van ons geschorsten en weggezondenen, alsnog te begeren. En evengoed als ik in het ‘oude’ verband geroepen was, om, áls er zich iets verkeerds voordeed in leer of leven, hierop in te grijpen langs den kerkelijken weg, evengoed ben ik daartoe verplicht in het ‘nieuwe’ (beter: het weer opgenomen) verband van ons vrijgemaakten. Maar dan eerst samen herbeginnen!

Daarom: als iemand enige klacht heeft tegen een ander, laat hem die gerust ter tafel brengen, als het dan moet, en vooral zó, dat de geest van den klager den klager onderworpen blijft. Anders gaat onze geest met ons op hol, precies zo als hij met Ridderbos en Grosheide en Berkouwer op hol gegaan is, in 1944. Maar laat men niet zeggen: we willen een kerk hebben van gelijkgezinden-in-alles. We krijgen geen kerk van wedergeborenen, en geen secte van in alles gelijkgezinden. Maar een VERGADERING van gelóvigen.

En als er excessen ons dunken te zijn, over en weer, wel, dan kan een langzaam en geduldig met elkaar spreken soms meer helpen dan een erop los slaan in de pers. Laat men niet vergeten: De Reformatie heeft ook vroeger niet maar ‘erop in gehakt’. De polemiek van toen is achteraf gebleken, HEN te bestrijden die in staat waren de kerk kapot te maken. Maar heeft gezocht naar behoud van wat uit één geloof wou leven. Zo is het nog. We willen geen optelsom van mede-sectaristen-van-ons, doch de kerk van medegelovigen-in-Christus.

K. Schilder - De Kerk - Deel 3 - 1948

Bron: http://dbnl.org/tekst/schi008kerk05_01/schi008kerk05_01_0047.php

 

Men kan den laatsten tijd wel eens de verzuchting horen: nu zijn ‘ze’ (hier spreekt de geest van den synodocratischen opponent), of: nu zijn ‘we’ (hier spreekt de medestander) vrijgemaakt, en kijk, toch kan er in die vrijgemaakte kerk toch nog dit en dat gebeuren. Men laat broeder Zó, of dominee Zús maar begaan, en toch waren die mis in oorlogsdagen. Men laat Ouderling Dézen of Diaken Génen maar ongemoeid en toch denken die over de samenwerking met christenen van allerlei slag anders dan ik het doe. En soms denkt men erbij: heeft iemand, die zijn stem daartegen niet verheft, vergeten scherp te zijn?

Nu, deze week was er iemand, die den naam heeft, nog al eens scherp te kunnen zijn, in een gezellige samenkomst met drie dominees en voorts ouderlingen en anderen. En ook daar werd zo iets vragenderwijs gemompeld: wordt er niet te veel getolereerd, en is het niet te veel: mondje toe? De aangesprokene heeft toen in vollen ernst geantwoord: we hebben een kerk met heel wat rare lui erin, mezelf inbegrepen; en die kerk hebben we in 1944 zien veranderen, toen ze ons eruit wierp, maar vergeten we toch vooral niet, dat we God zouden gedankt hebben, als al die rare lui, die nu achtergebleven zijn bij de rovers en de wolven, zich met ons hadden vrijgemaakt; en zoudt ge dan willen zeggen: henen uit, gijlieden? Immers neen? Of: niet meer erin? Immers neen?

Ook hier lijkt me zo'n herinnering niet kwaad. Van niemand (want men zou nog misverstand krijgen ook) zeg ik: ziedaar een rare man. Ik neem aan, dat wie grondig anders denkt dan ik, mij een barbaar (een ‘rare man’) is, maar ook ik aan hem. We moeten daar niet zo van staan te kijken, want Paulus in I Cor. 14 heeft het over een kerk, waarin de een den ander een barbaar wordt, dat wil zeggen een ‘rare man’, met ‘belachelijke’ lippen!

Ons blad komt er in dit nummer in ‘Uit de Schrift’ op terug, want het is o zo leerzaam, wat Paulus daar zegt**).

K. Schilder - De Kerk - Deel 3 - 1948

Bron: http://dbnl.org/tekst/schi008kerk05_01/schi008kerk05_01_0047.php

 

En wat nu verder te zeggen? Och, ook wij betreuren de verbrokkeling van Christus’ kerk. Maar — ze is gevolg van de zonde. En de zonde blijft in deze wereld. Ook onze gereformeerde belijdenis wil tenslotte niet een veelheid van kerken. Wij houden, als Darby, vast aan de eenheid der kerk. Die eenheid is er, voorzoover álle geloovigen in Christus één zijn, en eenmaal één zullen blijken — in Zijn dag. Die eenheid hebben we na te streven en zoo dicht mogelijk te benaderen. Daarom mogen niet twee kerken, die elkaar wederzijds als volkomen wettig erkennen, naast elkander blijven staan en afzonderlijk „brood-breken” 28). De kerk moet voor zich de overtuiging hebben, dat ze is de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus.

K. Schilder - "Darbisten" - 1918

Bron: http://www.neocalvinisme.nl/ks/broch/ksdarby.html

 

"De theologie van K. Schilder vertoont radicaliserende trekken, over dat werk ligt
een felle gloed en wie met K. Schilder en dat werk in aanraking komt, nadert tot
een verschroeiend vuur. De oproep tot gehoorzaamheid verdringt de rust in
het volbrachte werk van Christus en het accent op de heiliging gaat ten
koste van het leven uit de genade.
De rechtvaardiging wordt zo van zijn plaats gedrongen ten gunste van de
heiliging."

Bovenstaande werd prof.dr. K. Schilder onterecht verweten.
Bij K. Schilder valt het juist op hoe hij het accent legt op de rechtvaardigmaking en hoe hij rechtvaardigmaking en heiligmaking bij elkaar houdt. Wel in de juiste volgorde: eerst rechtvaardigmaking, daarna heiligmaking.

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/schi008schr05_01/colofon.php

Laten we ons door geen enkele illusie laten vergiftigen. Laten we ons door geen vals vredesgeroep of suggestief eenheidsstreven laten biologiseren. De kerkgeschiedenis, waarin God ons plaatst en een roeping geeft, beweegt zich tussen twee ontzaglijke en vreselijke kerkelijke gebeurtenissen, in welke alles wat zich daartussen beweegt in gigantische afmetingen en onmenselijke verschrikking wordt vóórgeschilderd.
Achter ons ligt een vergadering van het wettige, naar zijn aarrd heilige, bestuur van de kerk van de Here uit de volheid des tijds. De notulen van die vergadering konden aldus luiden: De voorzitter, hogepriester Kajafas, opende de vergadering met gebed, de Here om zijn bizondere zegen smekend met het oog op de gewichtige zaak welke aan de orde zou komen. Daarna werd Jezus, de rabbi van Nazareth binnen geleid en het geding tegen hem geopend. Na ernstige overweging van alle in aanmerking komende feiten, werd met bijna algemene stemmen besloten deze Jezus op grond van Gods heilig woord als Godslasteraar te vervloeken. Na het vallen van deze beslissing dankte de Voorzitter de god der vaderen voor zijn kennelijke bijstand bij de beraadslaging ondervonden en smeekte om Diens zegen over het uitgesproken vonnis ten bate van het volk!
Deze daad van de kerk samengekomen in haar hoogste vergadering ligt áchter ons.
En vóór ons ligt het gebeuren, dat Openbaring 11 ons beschrijft. De trouwe getuigen van Jezus Christus - dat wil zeggen de trouw gebleven kerk - zullen in de avondstond van de wereldhistorie vermoord worden en ondergaan in de straat van de stad, die Geestelijk genaamd wordt Sodom - dat is de plaats van de walgelijkste zonde, en Egypte - dat is het land van de geniepigste kerkvervolging, waar ook onze Here gekruisigd is - dat wil zeggen: in Jeruzalem, de stad van de grote Koning, de stad van de kerk.
Tussen deze twee huiveringwekkende, beslissende daden van de kerk worden wij, néé, zijn wij reeds uitgestoten in de alle eeuwen omspannende strijd van de kerk.
Laten we geen enkele illusie koesteren. Het ging, het gaat, het zal blijven gaan: hard om hard!
Want wij leven in de kerk, dat wil zeggen in die gemeenschap, waar Satan het vinnigst en het gevaarlijkst wordt, waar de wereld zich het sluwst en het vijandigst openbaart, waar de zonde zich het ergst en het weerzinwekkendst ontplooit, waar de strijd van Christus tegen Satan, wereld en zonde het hoogst oplaait, waar zij die ondergaan het zwaarste vonnis ontvangen, maar waar ook Jezus Christus zijn schoonste, zijn beslissende overwinning behaalt in en met allen die zijn verschijning waarachtig hebben liefgehad.

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 29, 30

Wie nu de Here Jezus Christus in waarheid liefhebben en voor Gods woord beven moeten het elkaar nu meer dan ooit en met alle ernst voorhouden: In de kerk van onze Here Jezus Christus moeten allen, dag in dag uit, een strijd strijden. Een strijd in der kerk, ván de kerk, óm de kerk. Wie die strijd ontloopt is een lafaard, ja een verrader. Hij is óók een dwaas! Want in de kerk levende, kan men nooit niet-strijden! Wie niet strijdt, speelt, of hij het weet of niet, of hij het wil of niet, altijd in de kaart van de vijand en wordt zo diens compagnon. Wie niet strijdt veroordeelt ook principieel het werk van Jezus Christus en van al zijn apostelen en profeten. Hun levensarbeid was immers een voortdurende strijd en hun volharden daarin heeft God bovenmate geprezen. Het heeft óns bovendien de eeuwige zegen bereid. Geliefden, zo roept de apostel van de liefde ons toe, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit god zijn, want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan! Daarom hebben we met élke openbaring van een "geest' te maken. Wij moeten er ons existentieel mee bezig houden. Ieder conflict, ieder gebeuren in de kerk, al verwensen we de openbaring ervan nog zo hartgrondig, moet onze volle geestelijke aandacht hebben. We moeten de geest die daarin openbaar wordt beproeven om hem daarna te zegenen of te vervloeken, ons er door laten leiden en hem dienen, óf hem met alle kracht weerstaan. De nood is ons nu eenmaal opgelegd. Zo en niet anders is het leven, het dienen, het overwinnen in en met de kerk van onze Here Jezus Christus.
Want zo waarachtig als het werk van de Geest in alle gelovigen door alles wordt weerstaan wat in hen nog aan "vlees" over is, en dat is heel veel! - zó waarachtig zal het werk van de Geest, het werk dus van Christus om zijn kerk te doen leven uit zijn genade, naar zijn wet en tot zijn eer altijd ook in de kerk op bittere tegenstand stuiten.
En zo waarachtig als het ware leven van de Geest, het leven van het geloof, een rusteloze strijd is tegen alle zondige neigingen, begeerten, tendensen van ons boze hart - zo waarachtig is het ware leven van de kerk een nimmer ophoudende, nimmer verzwakkende, strijd tegen al wat daarin niet uit Christus' verlossing voortkomt en naar zijn heilige wil is.
En zo waarachtig als het leven van Gods kinderen hier op het schoonste bloeit als het in de strijd tegen de zonde door Gods genade de overhand behoudt - zó waarachtig bloeit het leven van de kerk in het permanente opworstelen tégen en overwinnen ván alles wat Christus tegentaat en zijn Geest bedroeft. In deze altijd volgehouden strijd en geschonken overwinning wordt de vrede met God en de vreugde in God geschonken en genoten. Zo alleen!

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 27, 28, 29

 

In deze moeilijkste en pijnlijkste worsteling, in de strijd van de kerk in de kerk, deed zich nu steeds een verschijnsel voor dat ik met bijzondere nadruk wil signaleren. Het is dit, dat in de beslissende worsteling van de kerk, dat op het moment waarop het om alles of niets ging, kinderen Gods, broeders, een gemeenschappelijke zaak maakten met de vijand en hun dikwijls - naar de mens gesproken - een schitterende overwinning bezorgden. Nee, niet met de aflatenkramers (de roomsen), maar met de "christelijk"-revolutionairen in eigen "hervormde" kring heeft Luther de grootste ellende beleefd. Niet door de roomsen, maar in de uit Rome's macht losgerukte kerkstad Genève is Calvijn de bitterste lijdensbeker gereikt. Het zijn de "vromen", die tenslotte de Afscheiding het meest effectief hebben tegengewerkt. Groen van Prinsterer deed eenmaal de confessie: "Wanneer ik, hetgeen mij in de strijd op politiek en kerkrechtelijk terrein, naga wat mij is overkomen, dan is het dunkt me, onloochenbaar dat mijn levensloop in een reeks van teleurstellingen, doorgaans in het meest gunstig tijdsgewricht door vrienden veroorzaakt, bestaan heeft..... Mijn vrienden hebben mij ten lange leste uit het veld geslagen". En Kuyper valt hem volkomen bij als hij nog geen twintig jaar later uitroept: "Opeens waren Berlage en Ternooy Apèl (de ultra modernen) met Vos en Westhoff (de positief orthodoxen) weer "vriendjes" geworden. Wat wonderlijk, het ging nu samen tegen de gemeenschappelijke vijand. En die vijand was de ..... Calvinist..... Het conflict (de doleantie) is dan nu gekomen, maar niet, zoals het had moeten zijn, tussen de Belijders en de Loochenaars van de Here Jezus Christus, maar tussen de Belijders onderling, en dat hebben niet wij gezocht, maar hebt U Irenischen gewild..... Gij streedt niet voor uw Heer maar tegen uw broeders".

En wat hebben wij zelf beleefd in de jaren (de jaren 1944-1950) die voorbij gingen? In de Gereformeerde kerken werden niet bestreden en uitgeworpen de slappe subjectivisten van allerlei soort, de mensen, die waardering toonden voor alles en iedereen behalve voor wat stipt naar het woord is en voor wie uit dat woord alleen willen leven! Nee, uitgeworpen werden de broeders, de mannen, tegen wie, wat men hen ook durfde te verwijten, nooit een koketteren met de vijanden van Christus' kerk voor de voeten geworpen werd!

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 26, 27

 

Zonder ophouden zullen allerlei duistere figuren de kerk binnendringen en daaruit opkomen! Krachtens geboorte, uit traditie, in zelfbedrog, met de - hun zelf vaak verborgen - ongebroken wil tot religieuze zelfhandhaving, om eer, macht, of uit welk ander motief ook, kwamen en bleven heel veel - ook leiders! - in de kerk van Christus. En daar verrichtten zij hun vreselijk werk! Al waren onder hen dikwijls begaafde, aantrekkelijke, soms zelfs briljante figuren: het ware leven des geloofs, het leven, in alles, uit het levende, geschreven woord van God, was hun vreemd. Van een kruisigen van het vlees, van radicale zelfverloochening, van waarachtige bekering wisten deze "ingeslopen, valse broeders",  ondanks hun hypercultureel, ondanks hun nobel, humaan, ascetisch, mystiek, of wat voor ander leven ook, niets af. Ze zochten dikwijls in een aureool van ernst en vroomheid, ten slotte toch zichzelf, of, in ieder geval: de mens. En van hen uit ging een ononderbroken, langzaam, soms ook geruisloos werkende stroom van kerkbedervende energie. De kerkgeschiedenis biedt ons ook overal en altijd het aangrijpend tafereel van deze in de kerk opkomende, het ware leven der kerk aantastende en verwoestende, machten en mensen. En wéé als men ze ongehinderd liet geworden!

En zo brak gedurende alle eeuwen de strijd in en om de Kerk los! De aanleiding daartoe en de concrete inzet daarvan waren steeds verschillend. De situaties wijzigden zich voortdurend. Maar in de grond van de zaak was het altijd dezelfde strijd. Het was een openlijke of verborgen strijd van kerkkinderen tegen kerkkinderen. Het was een ingaan tegen het leven van de Geest èn een reactie van het leven des geloofs tegen insluipend bederf.

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 24

 

Nee, het is onmogelijk, dat deze strijd (in en met en om de kerk) in de kerk niet uitbreekt! Want Jezus Christus, laat men dat toch nooit vergeten, vergadert door zijn Geest een kerk van zondaren, die zondaars blijven tot hun dood! De kerk bestaat uit leden, die met Paulus moeten klagen: wat ik wil, dat doe ik niet en wat ik niet wil, dat doe ik. De allerheiligste onder hen heeft niets meer dan een klein beginsel der ware gehoorzaamheid. En daarom stuit de Heilige Geest in zijn werk tot opbouw van de kerk altijd op verzet! Als Hij in de gemeente ingrijpt om de kinderen Gods op te stuwen tot trouwe dienst en krachtiger gehoorzaamheid, als Hij hun boze wil, hun werelds begeren wil breken, barst de weerstand altijd los! Zijn energie is dan als een elektrische steekvlam, die de vonken van het harde staal naar alle kanten doet uitspatten. En al wordt dat verzet in Gods kinderen ten slotte altijd gebroken - hoeveel strijden en worstelen is er mee gemoeid voordat het zover is? Een man als Petrus stond de Christus en diens werk eenmaal zó fel tegen, dat zijn Meester hem moest toeroepen: Ga weg, achter mij, Satan. En jaren later - Petrus heeft dan zijn zilveren jubileum als apostel reeds achter de rug - was Paulus genoodzaakt hem publiek, in een kerkdienst, te bestraffen omdat hij toen leefde in huichelarij. Ja, het woord van Christus, dat Hij allen, die de Vader Hem geeft, naar zich toe moet slépen blijft van kracht, tot de jongste dag.

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 23

 

En daarom nog eens: de eerste, laatste, principiele, ja feitelijk de énige strijd, welke de kerk heeft te doorworstelene, is de worsteling tegen alle boosheid in eigen kring en eigen leven. Daarin gaat ze, als ze ontrouw is, volledig onder. Daardoor komt ze, uit genade, door het geloof, tot de hoogste heerlijkheid! Die strijd is haar opgelegd, met alle, onzegbaar zware, moeiten, zorgen, teleurstellingen en smarten, die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Wanneer al deze feiten en woorden beslag op ons hebben gelegd, wanneer de genoemde werkelijkheden voor ons zijn gaan leven, dan kan het niet anders of de smartelijke vraag komt in onze harten op: Waarom, waarom moeten deze dingen zo zijn? Kan het nu nooit, nooit vrede worden onder hen, die zich christenen noemen? In ons leeft als een zoete droom de verwachting, de hoop, dat allen die de naam van christen dragen, ten slotte toch één front zullen vormen, één front van volkomen harmonie en liefde en gericht tegen de gevaarlijke vijand buiten! Laten we het eerlijk bekennen: er is in ons aller hart de hunkering naar vrede en rust. Het rumoer, de verschrikking van de strijd, speciaal van de kerkelijke, maken ons dikwijls zo onuitsprekelijk moe. O, we kunnen er zo volkomen inkomen, dat er altijd christenen zijn geweest - en ook altijd zullen blijven -, die zich van iedere strijd verre hielden, hem vervloekten, en zich afwendden van allen, die meenden dat de strijd in 's Heeren kerk hun roeping was!
Als we nu met de zoeven genoemde vragen tobben, moeten we beginnen met ons in alle ernst voor de geest te plaatsen wat God ons omtrent de historie van zijn kerk verhaalt. We moeten overwegen wat de waarlijk groten daarin hebben gedaan! at deden Mozes, de richteren, de trouwe koningen? Wat was het essentiele in het leven van E;lia, Eliza, Amos, Hosea, Jesaja, Jeremia, Ezechiel en alle andere profeten? Was het niet dit, dat zij in de kerk, tégen de afval en de afvalligen, tegen de verleiders en de valse profeten, een onafgebroken strijd hebben gevoerd, daarin zo nodig zijn ondergegaan en zo, naar de mens gesproken, de kerk hebben gered?

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 21, 22

 

Wanneer wij nu nog eens overzien wat we uit de Schriften omtrent de toestand van een paar jonge christelijke kerken ontdekten, dan springen enkele merkwaardige dingen en feiten met kracht op ons af.
Allereerst dit, dat juist in een tijd waarin de Heilige Geest op ongewoon krachtige wijze werkt en het nieuwe leven des geloofs overal heerlijk uitbot in de kerk van onze Here Jezus Christus een harde, moeilijke strijd uitbreekt.
Inderdaad, zo algemeen moet het gezegd worden. Want zeker, we namen slechts het leven van een paar kerken onder de loupe, maar we moeten niet vergeten, dat, als we naar andere gemeenten zouden kijken, we overal dezelfde ervaring zouden opdoen. Nagenoeg in alle brieven, welke Paulus ons naliet, wordt dan ook gesproken over en deelgenomen aan een of andere strijd, welke de jonge kerken van Christus, soms zelfs zeer heftig, beroerde. Dat geschiedt b.v., behalve in de genoemde brieven aan de gemeente van Korinthe, ook in die, welke Paulus naar Galatie, Filippi, Thessalonika zond. En lees de pastorale brieven eens na! Die spreken, nagenoeg van de eerste tot de laatste zin, ook over bijna niets anders dan strijd.
En niet alleen Paulus' brieven zijn strijdbrieven! De andere zijn hierin volkomen aan de zijne gelijk. Speciaal wil ik in dit verband nog wijzen op de brieven, welke onze Here Jezus Christus aan de zeven kleinaziatische gemeenten zond. Ook die zijn vol strijdgerucht. En onze Heiland neemt in deze epistels op de meest direct wijze aan de in de gemeenten in gang zijnde strijd deel.
En deze strijd - ik wil daar nog eens alle nadruk op leggen - is vóór alles een strijd, welke IN de gemeenten zèlf woedt. (...) De strijd naar "buiten" is in de ogen van Christus en zijn apostelen kennelijk niet zo moeilijk en gevaarlijk als die welke de leden der kerk onderling tegenover elkaar doet staan.

Prof. C. Veenhof - De beslissende strijd der kerk - pag. 17

 

In 1930 schreef Schilder ten aanzien van de leden van de Christelijke Gereformeerde kerken: een gereformeerde "... zegt elken zondag: tusschen hem en mij ligt niets wézenlijks. Hierop zeg ik met ernst: amen."

Volgens hem moeten de christelijke gereformeerden 'hun misverstanden nu eens het crediet opzeggen'.
Maar in 1935 horen we een ander geluid:
"Een Kerk bijvoorbeeld als de Christelijke Gereformeerde sluit duizenden uit, en weert - mag men hen gelooven - hen van het Avondmaal. Derhalve wordt daar Gods Woord niet recht gepredikt en de sacramenten niet naar Christus' instelling bediend." (De Reformatie, 8 nov. 1935).
Schilder plaatst deze opmerking in een breed kader. Van de zijde van de Vrije Universiteit was namelijk gezegd dat de kenmerken van de ware kerk ook buiten de gereformeerde kerken voorkwamen, en dat met schaamte erkend moet worden dat er in gereformeerde kring nog wel wat aan ontbrak. Schilder schrijft dan:
"... met het laatste deel van de laatste zin ben ik het eens, met het eerste niet ... Ik weet in Nederland geen enkele kerk, buiten de Gereformeerde, die Gods Woord zuiver predikt, de sacramenten rein bedient, de tucht handhaaft. Ik erken dat de Geref. Kerk het ook niet doet, gelijk het behoort. Maar zij wordt er niet in verhinderd. Andere verhinderen zich zelf, door hun kerkelijke beginselverklaring, of door hun vrijwillige seperatie."
Juist omdat Schilder eerder geschreven had dat er niets 'wezenlijks' tussen de christelijke gereformeerden en de gereformeerden ligt, verwijt hij de eersten hun nodeloos apart staan - separatisme. Daarbij zijn volgens hem de kenmerken van de kerk in geding.

Dr. W.G. de Vries - Kerkelijk verdeeld en christelijk samen? pag. 27, 28

 

Geplaatst 9 november 2010

Schilder heeft voortdurend geweigerd bij de bepaling van het kerkbegrip zijn uitgangspunt in de ervaring te nemen. Noch de ervaring, noch de zonde, noch de historie zijn bepalend; bepalend is alleen, hetgeen de Schrift inzake de kerk te zeggen heeft. Daarom is ten onrechte door P.J. Richel aan het adres van Schilder het verwijt gemaakt van subjectivisme in zijn kerkleer. Het feit dat de gelovigen de kerk mee-institueren komt bij Schilders spreken over de kerk niet op uit het subjectivisme, maar vloeit voort uit een getrouw luisteren naar Gods Woord. Schilder heeft ook geen goed woord over gehad voor de buitenkerkelijke vroomheid. Wel de geloofsband met Christus zeggen te hebben, maar voorbijgaan aan zijn kerk op aarde is voor Schilder een onmogelijkheid, een daad van onvroomheid, van ongeloof. De dynamische kerkleer ziet de kerk als het werk van Christus, die de zijnen inlijft in zijn kerk en hen oproept tot het medewerkerschap.

Dr. J.J.C. Dee - K. Schilder oeumenicus - pag. 190

Geplaatst 27 september 2010

"... de hekken weg en weg de richels geschoven, en allen saam voor onzen grooten en almachtigen Ontfermer op de knieën gevallen, en saam gesmeekt, of Hij ons als één kudde onder hem, den eenigen Herder, zegenen wil.
Geen hoogheid of hoovaardij (=hoogmoed) meer, waarmee de reeds lang gescheidene denken zou: "Ik ben van Juda, en deze nakomenden zijn van Efraïm. Voor mij dus een hooger loon!" Maar voor allen in den éénen wijngaard het ééne loon der liefde, dat hun Heere hun vrijmachtig geven wil. En evenmin een hoogheid en hoovaardij, waarmee de Gereformeerden in de groote Kerk zich verheffen zouden, denkende: "Toch zijn wij deftiger en meer historische lieden en wat zouden ons die amechtige (=machteloze) gescheidenen doen?"
Uit de duivel is al zulke hoovaardij onder ons en onder u, Broederen!
En zelfs als er veel kleinere kringetjes van Ledeboerianen zijn, of waar ook nog allerlei broeders en zusters van Gereformeerde belijdenis zitten, dan moeten ook die met ons saamvergaderd. Niemand mag veracht of buitengesloten.
Geen klauw mag achterblijven!
Alleen de belijdenis mag saamvergaderende macht wezen, en waar die belijdenis op de lippen en in het leven is, daar hooren we, wat dusverrre ook scheidde, daar hooren we onlosmakelijk saam.
Daar en daar alleen is de kerke onzes Heeren.
O, bidt om die saamvergadering.
Bereidt die saamvergadering elk in uw kringen voor. Neemt bovenal uit uw eigen hart en zinnen weg al wat aan die saamvergadering in de weg zou treden. Er kan geen zegen van onze beginselen voor ons volk uitgaan, of de Gereformeerden moeten weer aan alle oorden des lands in dezelfde Gereformeerde kerken samenwonen."

Dr. A. Kuyper, De Heraut van 21 november 1886

Geplaatst 23 augustus 2010

 

Wat overwint de tegenstellingen en verschillen?

(Over de vereniging in 1869 van de Christelijke Afgescheiden Kerk en de Gereformeerde Kerk onder het kruis:)
Stellig was er heel wat verschil in 'ligging', ambtsbediening en zoveel meer. Maar de eenheid in de hartelijke begeerte de Here te dienen naar zijn Woord heeft de tegenstellingen en verschillen doen overwinnen.
Datzelfde is gebeurd bij de Vereniging in 1892 tussen de 'Afgescheidenen' en de 'Dolerenden'. Ze hebben niet gewacht tot ze het in alles met elkaar eens waren. Eenzelfde binding aan de Heilige Schrift en aan de belijdenisgeschriften, overeenstemming over de kerkorde ook, heeft hen samengebonden. Nee, het is niet allemaal rimpelloos verlopen. Dat had ook niemand verwacht. Maar voor elk verschil was men aanspreekbaar met een beroep op Schrift, belijdenis en kerkorde. Zo kon men elkaar terechtwijzen waar dat nodig was, discussiëren ook, 'ijzer met ijzer scherpen', samen verder zien te komen, van elkaar leren, naar elkaar toegroeien en geduld met elkaar hebben. En er bleef ruimte voor verschil van inzichten.

C.G. Bos Kerkelijke eenheid: geen illusie (1985) p. 38

Geplaatst 27 juli 2010

Het willen-vergaderen van de gelovigen uit alle plaatsen en gedurende alle tijden is het eerste kenmerk van de kerk

Gelijk gezinsvorming niet afhankelijk mag zijn van de vraag: hoe krijgt de aanwezige gezinsgemeenschap rust in haar naar binnen gekeerde zelfbehagen, doch geschieden moet met de begeerte, dat God de massa van Zijn kinderen uit ons voortbrenge, zo moet elke kerkformatie, instee van te vragen, hoe de ergens aanwezige gemeenschap van gelovigen rust vinde in haar gegeven samen-zijn, zich steeds weer laten bepalen door de vraag: hoe Christus de massa Zijner uitverkorenen uit en door ons vergadert.

IX Hierdoor is de opvatting van de kerk als ‘Heils-anstalt’ absoluut veroordeeld.

X Hierdoor is tevens als konstitutief ‘kenmerk’ der kerk van de eerste rang erkend de wil, en de daad van het vergaderen der gelovigen tot één lichaam. Oecumenisch-willen is primair kenmerk der kerk; de vraag, hoe en wanneer de kerkformatie werkelijk oecumenisch is, zal alleen te beantwoorden zijn door de bekend gemaakte, geopenbaarde, uitgedrukte wil van God.

XI Omdat het willen-vergaderen der gelovigen uit alle plaatsen en gedurende alle tijden het eerste kenmerk der kerk is (wijl daarin Christus' werk zich in ons mede-arbeiden met Hem voltrekt), is het een principiele fout van de allereerste rang, indien men ‘kenmerken’ der kerk, of ‘indelingen’ der kerk tracht te geven, waarvan de criteria òf tegen dit criterium strijden, òf ervan geabstraheerd zijn.

XII Zulk een fout begaat, wie b.v. de kenmerken der kerk (een gezelschap) bepaalt onder het gezichtspunt van strikt-persoonlijke gebeurtenissen of ervaringen. Want persoonlijke belevingen zijn geen eigenlijke criteria voor een vergadering, een gemeenschapsvorming, als zodanig.

Bron: K. Schilder, De Kerk p. 145

(geplaatst 25 juni 2010)

Vanuit verbondsgehoorzaamheid spreken over een dynamisch kerkbegrip

Samenvattend kan gesteld worden, dat Schilder over de kerk alleen in het geloof, het geloof aan Gods gesproken Woord wilde spreken. Niet uit de ervaring of de praktijk van het kerkelijk leven, alleen uit de Schrift kon men weten, dat er een kerk was en waarin haar wezen bestond. In het bepalen wat nu de kerk naar haar wezen was, nam Schilder zijn uitgangspunt in het verbond en in samenhang daarmee in het zuiver stellen van de kwestie van de verbondsgehoorzaamheid. Verbondsmatig spreken over de kerk hield in, dat men zich niet neerlegde bij de feiten, maar luisterde naar de oproep tot bekering die van het verbond uitging. Tot het juiste, nieuwtestamentische zicht op het verbond behoorde ook, dat men geloofde dat Jezus Christus zijn kerk vergaderde door zijn Geest en Woord. Dan werd een statisch kerkbegrip, de fixatie op een bepaalde kerformatie of een gegeven kerkinstituut vermeden en kwam er ruimte voor het steeds voortgaand proces van het vergaderen van de kerk door Christus; tevens werd dan de oproep verstaan om met Christus in zijn vergaderingsarbeid mee te werken. Alleen op die wijze kon er volgens Schilder gewerkt worden aan de waarachtige eenheid van de kerk.

bron: K. Schilder, Oecumenicus, dr. J.J.C. Dee, p. 80

(geplaatst 16 juni 2010)

Vechten voor windmolens OF werkelijk essentiële verschillen

Want wat in de kerk de kerk tot kerk doet zijn, het geloof, de wedergeboorte, is inderdaad door God gegeven om de verbanden over heel de wereld te smeden, dat blijve nooit vergeten. En voorts bedenke men daartegenover, dat wanneer ik ken verschillende openbaring van kerk-formaties, men dan òf zeggen moet, dat ze vechten voor windmolens en dan moeten ze zich daarvan bekeren, òf dat de verschillen werkelijk essentieel zijn en een punt in het geding is, dat inderdaad tot ‘zaligheid’, in de zin van godsdienst, noodzakelijk is, dan mogen ze nooit worden verbonden in hogere eenheid. Want wie dat doet, geeft alle strijd voor de waarheid prijs.

bron: K. Schilder, Verzamelde werken 1940-1941 (ed. G. Harinck). Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld 1995 p. 447-448

(geplaatst 4 juni 2010)

Het dynamische kerkbegrip van K. Schilder: Geen fixatie van een kerk-formatie
Dit dynamische kerkbegrip van K. Schilder heeft er toe geleid, dat hij geen enkele kerk, ook de Gereformeerde Kerken in Nederland niet, met de enig ware kerk heeft vereenzelvigd, alsof buiten haar geen zaligheid zou zijn. Schilder, die zo scherp het kerkelijk indifferentisme en de gevaren van de pluriformiteitstheorieën en van het institutionalisme heeft onderkend, is in zijn kerkleer nergens in het kerkisme terecht gekomen. (2. p. 132)

Zijn dynamisch spreken over de kerk heeft hem juist niet doen stilstaan bij vaste kerkinstituten, maar heeft hem oog gegeven voor het feit, dat Christus elke dag zijn kerk aan het vergaderen is en dat geen enkele kerk, geen enkele instituutsvorm ooit af is. Zo komt hij tot de uitspraak: 'Elke fixatie van een kerk-formatie, zonder dat gevraagd wordt naar het actuele medearbeiderschap met de kerkvergaderende Christus is derhalve ongehoorzaamheid.' Voor Schilder is het kerk-instituut een beweeglijk iets, waardoor het zoeken van kerkelijke eenheid, de wil van het vergaderen van de gelovigen tot één lichaam, het oecumenisch willen, een zaak van de eerste rang wordt. (2. p. 132)

Zie voor meer actuele citaten: Leren van de geschiedenis

(geplaatst 20 mei 2010)

Tegenover de bedroevende pluraliteit der elkaar weersprekende kerkelijke instituten hebben we, instee van ze met of zonder pluriformiteitstheorie te vergoelijken, steeds weer te strijden. Wapen in dien strijd kan nimmer zijn het halsstarrig alleen maar wijzen op fouten van een voorgeslacht, of van een kring van tijdgenoten, die, zeg 15 jaar geleden (1939-1924), zich misgrepen hebben, naar onze mening. Want hoezeer ook het napluizen van zulke fouten soms onvermijdelijk, en, àls 't heus uit-pluizen is, ook leerzaam moge zijn, het kan toch niet volstaan voor wie den Pinkstergeest in zijn opmars naar de eenheid der kerkelijke samenleving zoveel mogelijk bijhouden en Hem daarin dienstbaar wezen wil. Indien, om maar bij Nederland te blijven, morgen aan den dag de Ned. Herv. Kerk, ook al zou haar synode geen (wetenschappelijk ingedacht) oordeel willen geven over 1834 en 1886, voor de toekomst zich zou willen vastleggen op de gereformeerde belijdenis (en dús ook kerkregering), dan zouden we dadelijk móeten samenleven. Van de nederlandsche Chr. Geref. Kerk geldt hetzelfde tegenover de Geref. Kerken. Zoals tussen de kerk en haar afzonderlijke leden van den kant der kerk zelf de band nooit ontbonden worden mag (in de tucht) vanwege een eens begane zonde, doch alleen vanwege hardnekkigheid in de zonde, zo kan ook de éne kerk nooit van de andere harerzijds gescheiden willen blijven vanwege een eens begane zonde, doch alleen vanwege hardnekkigheid in die zonde, vanwege het standvastig blijven bij wat verkeerd was, en het wederom voor eigen rekening nemen daarvan. Dit geldt te meer, omdat in het eerste geval (kerk tegenover individueel kerklid) het kerklid dezelfde bleef, terwijl in het tweede geval (kerk tegenover kerk) de groepen na 15 jaar, 100 jaar, enz. ten dele of algeheel verdwenen zijn. Van de Ned. Herv. Kerk van heden is niemand aansprakelijk voor de zonden van 1834; de vraag

[p. 414]

is slechts, of de hervormde synode thans zou willen terugkeren tot de belijdenis. Van de in een tot leertucht besluitende synode aanwezige leden zijn na enkele jaren reeds velen gestorven, emeritus geworden, niet meer gedeputeerd. Bovendien bestaat die synode niet meer. De Chr. Ref. Church van 1939 is anders dan die van 1924. En in de groep van ds Hoeksema*) is ook reeds veel gewijzigd; ten opzichte van ds Danhof*) is er een en ander veranderd; er zijn jongere predikanten, die in 1924 nog moesten beginnen met de studie, enzovoort. Laat onder de ouderen over en weer ernstige bezwaren zijn tegen in 1924 gepleegde handelingen, maar niet de handelingen van eertijds, doch de houding van heden beslist. Tot de goede houding over en weer nu behoort óók het beven voor het Schriftwoord, dat de zoon niet zal dragen de ongerechtigheid der vaderen. Met elke volgende generatie moet men om Christus' wil willen spreken, teneinde de situatie opnieuw op te nemen.

Want wij zelf zijn allen persoonlijk aansprakelijk voor de kerkelijke samenleving, ook in breder verband. Dagelijks rust op ónze schouders de roeping om te doen wat in óns vermogen ligt tot het onder één dak samenbrengen van wat op goeden grond daaronder behóórt. Immers, wij kunnen slechts dan ten overstaan der bedroevende pluraliteit der kerkinstituten voor God een goede kerkelijke consciëntie hebben, indien wij voor Hem overtuigd zijn, dat het niet aan óns ligt indien mensen, die Hem naar Zijn Woord dienen en belijden, met ons niet kerkelijk samenleven. En het kàn en zàl aan ons liggen, wanneer wij op papier vastleggen als formulier van enigheid, wat niet als zodanig behoeft te binden; of wanneer wij, overtuigd zijnde, dat in een ander instituut dit het geval geweest is, en nog is, niet in dat andere instituut de ogen willen openen voor dit gebrek, deze zonde. Een zonde, die ook ons zelf schade doet, en onzen kinderen, en den naam van Christus.

Ja, ‘buurmans’ zonde wordt tot eigen leed, als wij niet vrezen en beven. Een secte is secte; maar de kerk, die niet de secte wil oproepen tot bekeren, wordt sectarisch: zij wil niet samenbinden. Een schisma is schisma; maar wie degenen loslaat, die hij zelf schismatiek noemt, wordt zelf schismatiek: hij wil niet samenbinden.

Laatst aangepast op maandag 22 april 2013 17:13  

Nieuws

Een brief van GKv kerkenraad Capelle aan den IJssel over M/V en ambt

De kerkenraad van de GKv Capelle aan den IJssel heeft in een brief de gemeente laten weten hoe hij de besluiten van de synode beoordeelt over M/V en ambt. Deze brief heeft de kerkenraad gepubliceerd... [More...]

DEZE LEZING GAAT NIET DOOR Dr. Pieter Boonstra op 12 jan. te Ten...

Vandaag (12/1 om 0:00 uur) ontvingen we het volgende bericht. Door persoonlijke omstandigheden konden we dit bericht niet eerder publiceren. Vanavond 11 januari kregen wij (kerkenraad GKv Ten... [More...]

Een nieuwe website uit GKv over bezinning vrouw en ambt

Gisteravond is de site online gegaan inzake de bezinning die achter de schermen gaande is rond MV en ambt. Deze site is opgericht door een aantal predikanten, een zuster en een broeder uit de... [More...]

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]